Kom eindelijk van dat eiland af

Volgens Edward Said was de westerse blik op de Arabische wereld bijziend, romantisch en koloniaal. Maar wie heeft hier eigenlijk oogkleppen op?

Robert Irwin: For Lust of Knowing. The Orientalists and their Enemies. Allen Lane, 410 blz. €42,40.

In 1978 werd het internationale wereldje van Midden-Oostenwetenschappers opgeschrikt door een even plotselinge als felle polemiek. In dat jaar publiceerde de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Said zijn controversiële boek Orientalism, dat een frontale aanval bevatte op het westerse beeldvorming over de Arabische wereld en de islam en de rol die de wetenschap daarbij speelde. Said bepleitte een kritische bezinning op de methoden van de oriëntalistiek (de wetenschap die zich met het Midden-Oosten en Noord-Afrika bezig houdt), de culturele mechanismen van beeldvorming over de ‘oosterling’ en de verwevenheid van wetenschap, cultuur en politiek. De academische wereld was op slag in twee onverzoenlijke kampen verdeeld: de kritische, meestal linkse en politiek correcte wetenschappers ondersteunden Saids kritiek en bediscussieerden nieuwe benaderingen, terwijl de traditionele oriëntalisten niets moesten hebben van wat zij beschouwden als modieus vertoon van postkoloniale zelfhaat.

Saids oriëntalisme-theorie heeft in de eerste plaats ten doel het idee van een waardevrije, politiek neutrale wetenschap te ontmaskeren. Wetenschap en cultuur zijn onontwarbaar verstrengeld en brengen gezamenlijk een samenhangende visie op de Oriënt voort die niet zozeer verwijst naar de realiteit, maar die vooral voldoet aan de Europese behoefte aan een culturele tegenhanger, een ‘ander’ die de eigen identiteit bevestigt. De Oriënt is een denkbeeldige constructie, een vergaarbak van negatieve stereotypen die het positieve zelfbeeld van Europa moeten ondersteunen. Deze constructie, betoogt Said, leidt tot ontmenselijking van de ‘oosterling’, bevestigt de westerse superioriteit en wordt keer op keer gebruikt als rechtvaardiging voor expansiedrift, interventieoorlogen en culturele inmenging. De wetenschapper is uiteindelijk de medeplichtige van politieke manipulators.

Manipulatie

Saids stellingen stuitten op zware kritiek van oriëntalisten die niet inzagen wat het toegankelijk maken van oude Arabische teksten en de bestudering van een taal met politieke manipulatie te maken had. Volgelingen van Said, die vooral te vinden waren bij de sociale wetenschappen, verweten de oriëntalisten dat zij niet bereid waren tot een systematische reflectie op hun vakgebied en dat zij pretendeerden een moderne, dynamische samenleving te kunnen beschrijven op grond van geschreven bronnen, zonder zich af te vragen wat de verhouding was tussen die bronnen en de realiteit. Saids theorie gaf aanleiding tot een groot aantal onderzoeken op deelgebieden waarin zijn concept van oriëntalisme werd getoetst, bijgesteld, of verworpen. Het debat verzandde al snel in een onverzoenlijke loopgravenoorlog.

Het boek Orientalism is op allerlei gronden bekritiseerd, vooral vanwege inhoudelijke fouten, het ‘moedwillig’ weglaten van ongewenst bewijsmateriaal, een verkeerd gebruik van de concepten van Foucault, ondeugdelijke redeneringen en het vervallen in fouten die door Said zelf worden bekritiseerd. Wetenschappelijk gezien is Orientalism dan ook niet zo geslaagd, maar het debat dat erdoor is aangezwengeld, wordt door velen als nuttig en relevant gezien. Om ook deze laatsten der Mohikanen van hun dwaalspoor af te brengen, heeft de Britse arabist en schrijver Robert Irwin een ambitieuze geschiedenis van de oriëntalistiek geschreven, die de definitieve weerlegging van Saids theorie ten doel heeft. Irwin, bekend van een aantal romans en enkele studies over Arabische literatuur, geschiedenis en kunst, geeft in zijn boek For Lust of Knowing. The Orientalists And Their Enemies, niet alleen een gedetailleerd overzicht van de opkomst van de oosterse wetenschappen in Europa, waarmee hij het beeld dat Said geeft wil corrigeren, hij probeert ook de oriëntalistiek als wetenschappelijke discipline te rehabiliteren en daarmee Saids aanval voorgoed af te slaan.

Irwin richt zich in zijn boek uitsluitend op de wetenschappelijke oriëntalistiek. Zonder omhaal van woorden wijst hij de verstrengeling van wetenschap, kunst en literatuur, een van de uitgangspunten van Said, van de hand. Verder ontkent hij dat er sprake was van een samenhangend 'discours' binnen de oriëntalistiek. Deze stelling vormt het beginpunt van een kleurrijk panorama van de wetenschappelijke bestudering van het Midden-Oosten in Europa, die hij laat aanvangen bij de Fransman Postel (16de eeuw), via de hoogtijdagen van de Leidse oriëntalisten (Golius en Erpenius, 17de eeuw) en hun eerste serieuze Britse collega Pococke, naar de grote 19de-eeuwse geleerden zoals Goldziher en Nöldeke, Dozy en de Goeje. Ten slotte volgt een rehabilitatie van controversiële 20ste-eeuwse oriëntalisten als Snouck Hurgronje en Bernard Lewis. Het geheel vormt een bonte stoet van eenlingen die met elkaar gemeen hebben dat zij gefascineerd waren door het Oosten en de bijbehorende weerbarstige talen. Het waren meestal gedreven zonderlingen, die hun leven opofferden aan de wetenschap, vaak werden miskend en tot armoede waren gedoemd. Er waren serieuze geleerden bij en luie charlatans, romantische avonturiers en stoffige genieën.

Kritisch

Irwin trekt in zijn overzicht alle registers open en beschrijft de wereld van de oriëntalistiek met grote eruditie, veel gevoel voor anekdote, veel vaart – ondanks de grote hoeveelheid feitelijke details – en met groot inlevingsvermogen. Het beeld dat ontstaat is ongeveer tegengesteld aan dat van Said: er is nauwelijks enige samenhang in het werk van de oriëntalisten te bespeuren, politieke betrokkenheid was minimaal en dan nog vaak gericht tegen koloniale politiek, en ‘zucht naar kennis’ en fascinatie waren en zijn de voornaamste drijfveren. Ten slotte worden alle argumenten tegen Saids redeneringen nog eens op een rij gezet en aangevuld met een aantal nieuwe weerleggingen, waarbij ook de polemische verdiensten van Saids boek worden betwijfeld: hoe kan een betoog dat zoveel tekortkomingen vertoont de basis vormen voor een zinnig debat?

Het kan natuurlijk geen kwaad de oriëntalismediscussie nog eens goed op te schudden en de theorieën van Said kritisch te bezien. Maar Irwin wekt toch de indruk dat hij is verwikkeld in een achterhoedegevecht. De polemische stellingname doet enigszins afbreuk aan zijn voortreffelijke en onderhoudende historische overzicht en hij komt over als een nostalgische romanticus, die de traditie van de klassieke oriëntalistiek in ere wil herstellen. Hij beschuldigt de Saidianen ervan dat zij met hun boosaardige kritiek overheden de kans hebben geboden de geleerde vorsers van oosterse talen weg te bezuinigen en daarmee een essentieel en uniek kennisgebied ten onder te laten gaan. Daarbij gaat Irwin voorbij aan de grote veranderingen die binnen de academische Midden-Oostendisciplines hebben plaatsgevonden en die natuurlijk niet alleen op Said zijn terug te voeren. Het is juist het fragmentarische karakter van de oriëntalistiek geweest dat een duidelijke plaatsbepaling van het vak tegenover de opkomende sociale wetenschappen bemoeilijkte. Veel arabisten trokken zich terug op hun eilandje en weigerden aansluiting te zoeken bij ontwikkelingen in andere disciplines, een zelfgekozen isolement dat werd gerechtvaardigd met de verwijzing naar de moeilijkheidsgraad van de taal en de te bestuderen teksten. Daarmee bleef het directe maatschappelijke nut van de oosterse studies als discipline vaak onduidelijk. In de laatste jaren is voldoende aangetoond hoe belangrijk de bestudering van oosterse talen is, maar de moderne arabistiek en islamwetenschap kunnen hun plaats aan de universiteiten alleen met recht opeisen als ze openstaan voor inzichten uit andere disciplines, zoals de literatuurwetenschap van Said.