‘Je wordt slaaf, ondergeschikte’

De bombardementen kwamen almaar dichterbij.

Voor de Libanese familie Komaiha zat er niets anders op dan te vluchten voor het geweld.

De familie Komaiha heeft het tien dagen uitgehouden onder de Israëlische aanvallen op Zuid-Libanon, maar uiteindelijk werd het aanhoudende en almaar dichter bij het huis komende geweld voor de kinderen te traumatiserend. Feisal Komaiha (37) en zijn vrouw Oula (37) besloten met hun vier kinderen, Mohammed Ali (9), Ahmed (7), Malaak (4) en de net één jaar oude Mahdi, naar het noorden te vluchten. Samen met andere leden van hun familie, onder wie Feisals schoonvader, gingen ze op de vlucht uit het 12.000 inwoners tellende dorp Kafr al-Sir, vlakbij Nabatiye.

Kafr al-Sir ligt in een mooie, groene en heuvelachtige streek. In de streek rond Nabatiyeh wonen vooral shi’iten, voor het merendeel landbouwers die graan en tabak produceren en olijfgaarden houden. „Kfar al-Sir is een middelgroot dorp gelegen bij een rivier, temidden van de bergen”, zegt Feisal Komaiha lyrisch en met heimwee in zijn stem.

„We hebben Mahdi’s eerste verjaardag gevierd op 18 juli, onder de Israëlische bommen”, vertelt Komaiha. De kinderen werden banger naarmate de Israëlische oorlog tegen de fundamentalistisch-shi’itische organisatie Hezbollah dichterbij kwam. „Ze keken zo angstig bij elke ontploffing en het werd uiteindelijk bijna onmogelijk om hen bij de bombardementen te kalmeren. Ik kon het niet meer aanzien. Toen de raketten ook in ons dorp insloegen en drie huizen verwoest werden, was de maat vol. We moesten weg.

„De eerste dagen waren we nog vast overtuigd te blijven. Drie dagen lang hoorden we het gerommel van de bommen alleen in de verte. We hadden toen nog elektriciteit en water en ons leven verliep bijna normaal. Maar toen kwamen we zonder stroom te zitten en dat was meteen ook het einde wat het water betreft, want onze pomp werkt op elektriciteit en we hadden vanaf die dag nog maar twee uur stroom van een kleine generator. We konden ook het huis niet meer uit. Het was te gevaarlijk, de kinderen leefden opgesloten en verveelden zich en de bommen kwamen elke dag dichterbij.”

Het gezin belandde eerst in Beiroet, waar ze in de dichtbevolkte wijk Shiyyah bij kennissen introkken. Maar het leven werd daar door het plaatsgebrek – met zijn zessen in een achterafkamertje – en toenemende spanning met de gastfamilie al snel onhoudbaar. Nu, ruim twee weken later, zijn ze na drie verhuizingen uiteindelijk in een leegstaand pand, ooit een toeristenhotel, beland in Biqfaya, in de bergen ten noordoosten van Beiroet.

„Mijn vrouw was ongelooflijk sterk en moedig”, vertelt Feisal Komaiha. „Ik heb gehuild. Mijn vrouw heeft geen traan gelaten, maar ik weet dat ze erg verdrietig was en ze ook niet wilde vertrekken. Uiteindelijk zei ze: ik ga waar jij gaat. Maar we konden het niet meer aanzien. We vonden dat het in het belang van de kinderen gewoon onverantwoord was om nog langer daar te blijven.”

Oula Komaiha: „Het waren verschrikkelijke en angstige dagen. Vooral ’s nachts was het moeilijk. Ik was erg bang. Je hoort de vliegtuigen en je hoort de bommen, maar je ziet niets. En de kinderen kunnen niet slapen en huilen. Ik wilde helemaal niet vertrekken. Het is een echte vernedering, zo je huis te moeten verlaten. Zonder de kinderen waren we nooit uit ons huis vertrokken. Ik hoop dat het allemaal snel voorbij zal zijn, zo God het wil.”

Feisal Komaiha: „We hebben met onze kennissen in Shiyyah getelefoneerd en hun gevraagd of we bij hen onderdak konden krijgen. En toen zijn we vertrokken. Het heeft ons zes uur gekost om Beiroet te bereiken, omdat de bruggen gebombardeerd zijn. En ten koste van veel angstzweet. Terwijl we op weg waren, werden andere voertuigen met vluchtende families vlak voor ons onder vuur genomen. Tot drie keer toe hebben we voor ons leven gevreesd. We hadden geluk.”

Maar het leven is er niet makkelijker op geworden. „Je voelt je als een vreemde in je eigen land”, legt Komaiha uit. „De kinderen vinden het ook erg moeilijk om zich aan te passen. Toen we in Shiyyah bij onze kennissen aankwamen, zei mijn zoontje Mohammed Ali: „We hebben hier geen internet - ik wil terug naar huis, ik wil nog liever sterven!”

Mohammed Ali vertelt dat hij vooral bang was in de nacht toen raketten insloegen in vlakbijgelegen huizen en onderweg op de vlucht naar Beiroet. Hij vindt het maar niets in Beiroet. „In Kfar al-Sir is het leven heel anders. Je kunt hier in de stad niet eens buiten spelen.” Zijn jongere broertje Ahmed beaamt dat.

Feisal Komaiha is vliegtuigtechnicus. „Ik vertrok uit Libanon in 1991, in een periode van grote spanning in de shi’itische gemeenschap tussen de aanhangers van de pro-Syrische Amal-beweging en de door Iran gesteunde Hezbollah, en leefde 17 jaar in Canada. Daar ben ik ook getrouwd. Ik ben een paar jaar geleden teruggekeerd, en nu zit ik hier in dit hotel, als een balling, met mijn familie, bij de maronitische christenen.”

Hij maakt zich zorgen om zijn zuster die is achtergebleven en ook zijn vrouw heeft familieleden die niet wilden vertrekken in Kfar al-Sir achtergelaten. Ze hebben nog wel telefonisch contact – in die twee uur dat er in het zuiden stroom is, worden de mobiele telefoons opgeladen – maar ze vrezen elk moment slecht nieuws te krijgen. Er zijn inmiddels bij bombardementen tien huizen in hun dorp verwoest.

Marisha, een jonge vrouw die staat mee te luisteren bij ons gesprek, komt opeens tussenbeide: „Ik ben uit ons dorp tussen Naqoura en Tyrus gevlucht met mijn twee kinderen, en na ons vertrek is ons vier verdiepingen tellende gebouw volledig verwoest bij een bombardement. Ik weet niet waar ik terecht zal komen.”

Wie stellen ze verantwoordelijk voor hun ellende? „Uiteraard is het de schuld van Israël”, zegt Oula meteen. Volgens Komaiha is bijna iedereen die mening toegedaan: „Niet één op de duizend die Hezbollah de schuld geeft.”

Zijn dochtertje Malaak komt huilend op zijn schoot troost zoeken. Komaiha verwacht nog een grootscheepse operatie met grondtroepen, eventueel tot aan de rivier de Litani of zelfs tot in Beiroet. Maar hij is niet bang. „De Israëlische soldaten zijn al wel eerder in onze dorpen en onze huizen binnengevallen.”

Maar zijn vrouw heeft heel gemengde gevoelens. „Ik hoop dat ze ons huis niet binnenvallen. Het is zo moeilijk je daar iets bij voor te stellen.” En haar man geeft toe: „Het is allemaal erg vernederend, ons huis vormt deel van ons eergevoel. Het huis van een man is zijn kasteel, luidt het spreekwoord. Maar als ze je met geweld je huis uitdrijven en je moet met je vrouw en kinderen gaan lopen, hoe kun je dan nog een man zijn? Je wordt een bedelaar, je moet diensten vragen en om hulp smeken. Het is niet makkelijk. Je wordt een slaaf, een ondergeschikte.”

De sfeer onder de vluchtelingen is erg gespannen. „Ik heb het onder weg overal gezien: er komen conflicten van omdat er te veel mensen opeengepakt worden”, zegt Komaiha. „Het leidt zelfs tot vechtpartijen onder de vluchtelingen en tot zenuwinzinkingen.”

Zijn schoonvader Mohammed al-Zouni (70) vluchtte mee uit het zuiden. „Het is vooral erg moeilijk voor wie geen geld heeft. Je moet alles kopen, we lieten alles achter.”

Volgens Al-Zouni ligt het uiteindelijk allemaal aan de VS: „Zij beslissen over wat er hier gebeurt en wanneer er een staakt-het-vuren komt.” Maar wat er nu gebeurt, drijft volgens hem de bevolking in de armen van Hezbollah. „En ik vrees voor meer geweld als er hier ooit een internationale troepenmacht wordt gelegerd die geen deel uitmaakt van een akkoord met de Libanese regering en het verzet.”