Er komen slechts sombere berichten uit Irak

Elke dag vallen in Irak tientallen geweldsdoden. De regering staat machteloos.

Het geweld van milities vormt de kern van de problemen in het land.

In totaal 1.275 Iraakse geweldsdoden telde de onafhankelijke organisatie Iraq Coalition Casualty Count (ICCC) in juli. De eerste twee dagen van deze maand heeft ICCC al 102 doden geteld. Woensdag werden bijvoorbeeld 11 jonge mensen gedood toen op een voetbalveld in Bagdad twee bommen ontploften.

ICCC, dat zich baseert op nieuwsberichten, is bijzonder zuinig. Volgens de missie van de Verenigde Naties in Bagdad werden in mei 2.669 burgers gedood in Irak en 3.149 in juni, toen ICCC er respectievelijk 941 en 935 telde. In totaal werden er in Irak van januari tot en met juni 14.338 burgers gedood, aldus een half juli uitgegeven rapport. De VN voegden eraan toe dat veel moorden ongeteld blijven.

Zelfs uit de machten achter het project om Irak van een dictatuur in een democratie te veranderen, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, beginnen nu pessimistische geluiden te komen. In zijn laatste memo aan Londen meldt de vertrokken Britse ambassadeur in Bagdad, William Patey, dat een „lage intensiteit burgeroorlog” en een de facto verdeling van het land waarschijnlijker zijn dan een succesvolle overgang naar democratie. Eind juni schilderde zijn Amerikaanse collega in een memo aan Washington al een somber beeld van de toestand in Bagdad.

Pateys memo sluit aan bij een uitspraak van een hoge Iraakse regeringsfunctionaris van tien dagen geleden dat „Irak als politiek project voorbij is”. Tegen het persbureau Reuters zei deze functionaris dat „de partijen zijn overgegaan naar Plan B”; dat wil zeggen dat de grootste etnische en religieuze groepen, de sunnitische en Koerdische minderheden en de shi’itische meerderheid, nu bekijken hoe ze de macht en de hulpbronnen moeten verdelen en het probleem van de etnisch en religieus gemengde hoofdstad Bagdad moeten oplossen. „Er wordt serieus gesproken over verdeling van Bagdad in oost en west”, zei hij. Een invloedrijk parlementslid bevestigde dat. „De regering is niet in staat de situatie op te lossen”, zei hij tegen Reuters.

Moordpartijen over en weer tussen sunnitische en shi’itische milities begonnen in 2003, maar namen in februari scherp toe na de aan sunnieten toegeschreven aanslag op de Gouden Moskee in Samarra, een belangrijk shi’itisch heiligdom. Sunnieten plegen aanslagen op shi’ieten, en shi’itische milities liquideren sunnieten die ze bij controleposten ontvoeren. Dat is ongeveer de werkverdeling.

De ex-premier Iyad Allawi zei in maart al dat het burgeroorlog was: „We verliezen elke dag gemiddeld 50 tot 60 mensen in het land, als het niet meer is. Als dat geen burgeroorlog is weet alleen God wat burgeroorlog is.” De 20 mei aangetreden regering van Nationale Eenheid van de shi’itische premier Nouri al-Maliki, door Washington en Londen warm verwelkomd (Bush: „een grote overwinning voor de democratie”) als begin van de oplossing, blijkt volstrekt machteloos. Maliki’s vredesplannen voor de zuidelijke stad Basra en voor Bagdad, in hoofdzaak uitgaansverboden en versterking van de Iraakse politie en legeraanwezigheid, hebben niets uitgehaald. In Basra controleren shi’itische militieleden nog steeds de straten en in Bagdad is de toestand in veel wijken niet veel anders, met dien verstande dat daar ook sunnitische strijdgroepen toenemend actief zijn. De VS, die plannen hadden om hun troepenmacht in Irak te verminderen, praten daar niet meer over; in Bagdad wordt het aantal Amerikaanse militairen uitgebreid in een nieuwe poging de stad te pacificeren.

De milities vormen de kern van het Iraakse probleem. Onder de voorgaande minister van Binnenlandse Zaken die een ex-commandant van de machtige, shi’itische Badrmilitie was, hebben militiestrijders de nationale politie geïnfiltreerd. Daarom eiste de Amerikaanse regering dat Maliki’s minister van Binnenlandse Zaken een onafhankelijke figuur zou zijn. Maar nog geen twee maanden na zijn benoeming is in het parlement en daarbuiten een campagne op gang gekomen voor vervanging van die onafhankelijke minister die te zwak staat om de strijd tegen de met de machtige shi’itische politieke alliantie verbonden milities aan te binden.

Ambassadeur Patey zei in een vraaggesprek met de BBC dat de Irakezen alle vertrouwen in hun veiligheidsdiensten hebben verloren. „Er is een sfeer van wantrouwen. Als je naar bepaalde delen van Bagdad een eenheid van de nationale politie stuurt worden ze al beschuldigd van gruweldaden voor ze er zijn aangekomen”, erkende gisteren een hoge functionaris van de internationale coalitietroepen. Een kwart van de Iraakse nationale politie wordt geleid door officieren die worden verdacht van misdrijven of van sektarisch geweld en die moeten worden vervangen, zei hij.

„Onze veiligheidsdiensten zijn geïnfiltreerd door corrupte mensen en door anderen die niet geloven in een democratisch project in Irak”, verzuchtte minister Bolani.