De pathos scheppen we er vanaf

Abdelkader Benali: Panacee. Gedichten. De Arbeiderspers, 84 blz. € 14,95

Eigenlijk zou je niet moeten weten dat het Benali was, de gevierde Abdelkader Benali, auteur van de internationaal bejubelde roman Bruiloft aan zee, van de met de Librisprijs bekroonde roman De langverwachte en van de roman Laat het morgen mooi weer zijn. Dit is niet de poëzie van een geslepen, gelauwerde schrijver die het klappen van de zweep kent, want zo wil deze poëzie helemaal niet zijn. Deze poëzie wil niet ritselen van raffinement maar onbekommerd, onbezwaard en onbelemmerd puberen van puur enthousiasme. De dichter van de bundel Panacee, uitgegeven in prachtig ontwerp van Steven van der Gaauw, poseert welbewust als een dichter die zich van zo min mogelijk bewust wil zijn, niet van ‘zeugma, contaminatie, sonnet, dubbelrijm’ en zeker niet van de rijke poëtische traditie:

Belezenheid is één, maar vaak is er eerder te veel dan te weinig van, en haast en gelezen gaan ook niet goed samen. Pathos scheppen we eraf als schuim van een pils, poëzie moet Guinness zijn.

De formulering onderstreept de boodschap. Deze verzen zijn geschreven door een dichter met haast. Het is zo onopgesmukt dat het verdomd wel spontaan lijkt. De regelafbrekingen lijken eerder toevallig dan het resultaat van doordacht en berekenend effectbejag. De biervergelijking is doelbewust inadequaat, want pils zonder schuim is niet te drinken en Guinness is ook zwaar overschat, terwijl daar juist met de grootste zorgvuldigheid een miniem romig schuimkraagje wordt geënsceneerd met soms zelfs nog een klaverbladmotief erin getapt. En de overgang van ‘belezenheid’ naar ‘pathos’ als poëticale schietschijf is ook hakopdetakkerig, want normaal gesproken zou iemand denken dat belezenheid juist een goed tegengif is tegen pathos. Maar dit alles kan deze dichter dus helemaal niets schelen. Hij heeft haast.

Zijn afkeer van calculerend en doordacht dichten thematiseert hij in een ander programmatisch gedicht, dat als volgt begint:

Ik taal niet naar verzen gesmeed in de hoog-ovens van de denkfabrieken, gewrocht, zo lijkt het,uit ellenlange overpeinzingen.

Hij heeft een hekel aan alles wat riekt naar intellectualisme en regeltjes. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat hij sommige van zijn gedichten met sardonisch genoegen een sonnet noemt terwijl ze van geen kanten voldoen aan de klassieke vormcriteria van het sonnet. Ook daarover is hij expliciet: ‘Een goed sonnet [...] heeft veertien / regels maar dat is slechts afspraak. Belangrijker / is het dat het je laat schrikken, je op het verkeerde been // zet. [...] Ook is het niet / fijnzinnig, eerder vinnig, maar nooit — ik herhaal — nooit! / te net; aan betweters heeft het sonnet een broertje dood.’

Deze bijna klassiek romantische poëtica van ongehinderde, vrijgevochten spontaneïteit wordt door middel van het contrast met het tegendeel gedefinieerd in het gedicht met de ironische titel ‘Ideaal gedicht’:

Toegegeven: in dit gedicht staan allepoppetjes op hun plaats, rijmschema kloptdubbel- en binnenrijm, niks mis mee. Ookde metaforen staan als een huis. Je ruikt

de doorlopende lijn naar M.N., en de nauwegang van A., daar zijn verzen zeker schat-

plichtig aan. Het beeld van de man met dehamer die alles opnieuw wil scheppen

door van klassieke akkoorden

gebruik te maken. Het is gezien. Platgetreden

is het pad nog niet. Zet het af tegen de tijd.

Het is goed zo, maar waarom verveel ik

me er dan toch helemaal, hartstikke

dood mee?

En ook dit gedicht drijft op de provocatie van de onopgesmukte formulering, van de willekeurige enjambementen, van de achteloze intertekstuele verwijzingen naar Nijhoff en Achterberg, van de verborgen intertekstuele referentie aan Reve, van de clichématige uitdrukkingen zoals ‘staan als een huis’, ‘verveelt zich dood’, en ‘platgetreden paden’ en van de algehele doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoegtoon.

Het lijkt verdraaid wel een debuut! Hier spreekt een dichter onbekommerd en onbezwaard, die ruimte schept voor zichzelf door overal maar lak aan te hebben. Maar het is poëzie van Benali en zelfs niet eens zijn poëziedebuut, al zijn de meeste van de gedichten uit zijn eerdere bundel Gedichten voor de zomer, drie jaar geleden verschenen in de Sandwich-reeks, hier in verbeterde vorm hernomen, alsof zijn werkelijke debuut een valse start was. Ook echt iets voor een dichter met haast.

Het is zijn kracht en zijn zwakte. Zijn puberale voorkeur voor al wat de indruk wekt spontaan te zijn en zijn afkeer van al wat gewrocht en doordacht is, levert, volgens goede romantische traditie, voorspelbare missers op en wonderbaarlijk geslaagde gedichten. Het doet een beetje denken aan de experimenten van een natuurkundige die halsstarrig weigert na te denken over theorie en experimenteeropstellingen: veel experimenten mislukken uiteraard, maar soms wordt er een briljante ontdekking gedaan die niemand anders had kunnen doen, al valt het experiment niet te herhalen want hij weet ook niet meer hoe hij het heeft gedaan.

Benali is veruit het sterkst in de cyclus ‘Oden aan Kanti’, waarmee de bundel opent. ‘Kanti’ betekent ‘zingen’ in het Esperanto, maar in de cyclus is zij een dode vrouw, die op mysterieuze, bijna religieuze manier wordt herinnerd, herdacht, gemist en aanbeden. Soms verschijnt zij aan de levenden. ‘Zij steekt vuurwerk af. // Prikt in konten. Maakt zich breed voor het / dierenleed. Draait zich om en knipoogt naar mij.’ De ikfiguur belandt in de cel vanwege haar, al blijft onduidelijk waarom.

Kanti heeft het ver geschopt, zeker voor

een hooikoortspatiënt. Zij zit vast in het

zadel bij de machtigen. Dat weet ik omdat

ik in de cel de krant zowat uitpluis. Er is

geen dode of Kanti laat een condoleance

in de krant afdrukken, vol met U en Hem.

Is de krant van haar? Het heeft die typische

geur. Omdat ik aan een nieuw gebit toe ben,

heb ik haar een brief geschreven. Tamelijk

lang, maar er is nog geen bericht teruggekomen.

Soms zou ik willen dat Kanti aan me dacht,

of, om me een plezier te doen, mijn carrière

een zetje gaf en op een dag zo’n mooi zwartomrand

doodsbericht voor me plaatste.

Hier werkt de onopgesmukte taal omdat zijn bedrieglijke helderheid gepaard gaat met mysterie en meerduidigheid. Allerlei poëticale, existentialistische en zelfs godsdienstige interpretatiemogelijkheden loeren onder het oppervlakte. De oden aan Kanti zijn ongewisse gedichten, die blijven fascineren omdat zij raadselen scheppen. En Kanti zelf wordt er onvergetelijk van. Deze oden zijn gedichten die — verdomd als het niet waar is — ontroeren.