De moraal van de liberaal

Tweehonderd jaar geleden werd de liberale filosoof John Stuart Mill geboren. Inmiddels heeft het liberalisme een ware zegetocht over de wereld gemaakt . Zou de grote denker daarover nu tevreden zijn? Allesbehalve, vermoedelijk.

John Skorupski: Why Read Mill Today? Routledge, 121 blz. € 24, –

Robert Devigne: Reforming Liberalism. J..S. Mill’s Use of Ancient, Religious, Liberal, and Romantic Moralities. Yale University Press, 309 blz. € 46,80

Begin april kwamen geleerden en studenten van over de hele wereld bij elkaar om aan de Universiteit van Londen stil te staan bij de tweehonderdste geboortedag van John Stuart Mill (1806-1873). Hun pelgrimage gold een groots opgezette, driedaagse, conferentie waarop het geestelijk erfgoed van de beroemde pleitbezorger van individuele vrijheid en vrouwenrechten, van alle kanten werd bekeken. Wie vooraf mocht denken dat Mill een dode filosoof is, werd hier de ogen geopend. Bijna alle ‘Mill-scholars’ waren present, naast academische supersterren als Peter Singer en Martha Nussbaum. Behalve Engelsen, Amerikanen en Canadezen, namen er opvallend veel Fransen, Spanjaarden, Italianen en Grieken deel en zelfs enkele Japanners. De deelnemerslijst leverde een aardig beeld op van wáár Mill wordt gelezen – en waar niet: Nederlandse en Vlaamse deelnemers ontbraken bijna volledig.

In de potpourri van onderwerpen die de conferentie aan de orde stelde (‘hoe groen is Mill?’), was er één vraag die steeds weer opdook: zijn de inzichten van Mill, die een leven lang zoekend en tastend inhoud heeft gegeven aan de liberale grondwaarden, in staat om de verschraling van het hedendaagse liberalisme tegen te gaan? Zorgen om die verschraling leven niet alleen in Nederland, maar ook in veel andere landen. Het hedendaagse liberalisme lijkt steeds meer in het teken te staan van overmatig consumentisme (de vrijheid om te kopen) en van doorschietend gelijkheidsdenken, dat het liberalisme soms tot populisme maakt (alle meningen zijn gelijk, dus is de meest gehoorde mening maatgevend). Een veelgehoorde klacht is ook dat het liberalisme te sterk economisch en nauwelijks cultureel gemotiveerd is (de ongelimiteerde vrijheid om te verdienen). Het individualisme verwordt tot kortzichtig egoïsme (het gaat om mijn vrijheid, en wel nu).

Maar is Mill niet juist de oorzaak van deze verschraling van het liberalisme? Nietzsche vond van wel. Hij beschouwde Mills veelbesproken ‘utilitarisme’ al als het summum van oppervlakkigheid en platvloersheid; de ideologie van het kleinburgerlijk geluk. En inderdaad, wie nog gelooft in het traditionele beeld dat zo vaak van Mills filosofie is geschetst, zal misschien denken dat zijn geluksfilosofie de wegbereider is geweest van het hedendaagse consumentisme.

Dat traditionele beeld komt hierop neer: Mill was de leerling van Bentham; beiden dachten dat het menselijk gedrag te verklaren is uit het zoeken van genot en het mijden van pijn. Zodoende zag Mill de mens als een hedonistisch wezen. De hoogste ethische norm die hij de mensheid voorhield was dan ook dat we ‘het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen’ dienen na te streven. Wel zorgde hij in zijn Utilitarianism (1861) voor een nuancering van het werk van Bentham, door onderscheid te maken tussen de lagere genietingen (zoals consumptief genot) en hogere (zoals intellectueel en cultureel genot). Verder wordt Mill vaak getypeerd als iemand die, in navolging van klassieke economen als Smith en Ricardo, geloofde dat de vrijheid van economisch handelen de kortste weg is naar welvaart en sociaal welzijn. Zijn filosofie van geluk, welvaart en nuttigheid culmineerde in een klassiek geworden pleidooi voor bescherming van de individuele vrijheid: On Liberty (1859). ‘Over zichzelf, over zijn eigen lichaam en geest, is het individu soeverein’, schreef Mill. Hij formuleerde daarbij een ‘zeer eenvoudig principe’: de overheid mag aan de individuele gedragsvrijheid slechts beperkingen stellen wanneer het heel waarschijnlijk is dat een bepaalde gedraging of nalatigheid anderen zal schaden. Dit staat bekend als het ‘harm-principle’. Schaadt men echter alleen zichzelf, dan is collectief ingrijpen niet gerechtvaardigd. Laat iemand vooral op zijn eigen blaren zitten. Nog steeds veelgehoord is tenslotte de opvatting dat Mill in On Liberty een louter ‘negatief’ vrijheidsbegrip hanteerde; vrij zijn betekent in de eerste plaats verschoond blijven van overmatig overheidsingrijpen.

Volgens John Skorupski in zijn Why Read Mill Today? is Mill allerminst de bron van liberale verschraling, maar biedt hij juist een uitweg uit de impasse. Skorupski, hoogleraar moraalfilosofie aan de Schotse universiteit van St. Andrews, beveelt Mill nadrukkelijk aan, omdat deze het krachtigste en meest complete beeld schetst van wat liberalisme is en kan zijn: vrijheid van denken en zelfontplooiing – en dat allebei op het hoogste niveau dat binnen het menselijk bereik ligt. Hiermee biedt Mill een liberalisme dat intellectuele substantie heeft, dat zich niet doctrinair afsluit voor andere waarheden of discussies over zijn eigen principes het liefst ontloopt. Een denkend liberalisme dus van reflecterende burgers – in plaats van het economisch pragmatisme dat vooral bezig lijkt met veel geld verdienen. Vrijheid, opgevat als vrijheid van denken, leidt volgens Mill naar de waarheid, naar positieve kennis, omdat het de ruimte biedt om min of meer gevestigde opvattingen steeds opnieuw ter discussie te stellen, in een voortdurend proces van wetenschappelijke reflectie.

Skorupski ziet Mill als tegenpool van Nietzsche. Mill vertegenwoordigt onmiskenbaar het objectivisme met zijn positivistische wetenschapsidee en zijn ‘consequentialistische’ ethiek (‘goed is wat goed werkt en dat merkt men aan de gevolgen’) . Met Nietzsche doet het subjectivisme van de persoonlijke wil en de individuele existentie zijn intrede (‘goed is wat ik goed vind’). Skorupski laat doorklinken dat het liberalisme zich steeds meer naar Nietzsche is gaan richten en steeds minder naar Mill. We zijn het geloof in de objectieve waarheid kwijtgeraakt en hebben er talloze subjectieve ‘wilswaarheden’ voor in de plaats gezet.

Voor Mill is het denken vrij zolang het niet wordt beheerst door enigerlei externe autoriteit. Maar bepaalde vaste principes zijn onmisbaar als interne autoriteit. Het denken moet zich onderwerpen aan zijn eigen principes, die het leert kennen door op zichzelf te reflecteren. De vrijheid van denken geeft het denken autoriteit: ‘Juist een volledige vrijheid om onze opvattingen tegen te spreken en te weerleggen, is de beslissende voorwaarde die ons het recht geeft om aan te nemen dat zij waar zijn en ernaar te handelen.’ Alleen zo kunnen we wetenschappelijke vooruitgang boeken en, stap voor stap, de objectieve waarheid leren kennen, zonder vrijheid in te leveren.

Wat Mills liberalisme daarnaast kenmerkt, is het normatieve karakter ervan. Mill was een public moralist; zijn politieke filosofie wilde een moreel kompas zijn. Steeds was zijn achterliggende vraag: hoe behoort de mens zich in het publieke domein te gedragen? Niet de (goede of kwade) intenties die iemand erop nahoudt achtte hij moreel relevant, maar de gevolgen (die objectief zijn vast te stellen). Zij bepalen het morele gehalte van een daad.

Zijn normen ontleende Mill aan de Griekse deugdethiek. Hij betoogde bijvoorbeeld dat vrijheid voortkomt uit klassieke zelfbeheersing: vrij is degene die zijn lagere verlangens zodanig in de hand heeft dat hij kan streven naar het bereiken van een hoger artistiek, intellectueel of ideëel doel. Liberalisme als vrijwillige onthouding – dat kenmerkt Mill meer dan oppervlakkig hedonisme of het zelfzuchtige ‘vrijheid blijheid’. Een goede daad levert een nuttige bijdrage tot het bereiken van het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal personen. ‘Geluk’ kon daarbij een alledaags geluksgevoel of vrijwaring van gebrek zijn, maar ook geluk in termen van de klassieke hogere deugden. Mill was nooit bang om te beweren dat bepaalde daden of opvattingen objectief goed of slecht zijn. Die manier van denken contrasteert scherp met het waardenneutralisme, waaraan het huidige liberalisme zo verknocht lijkt.

Mill was een zeer kritische erfgenaam van de Verlichting. Niet alleen doordat hij teruggreep op klassieke idealen, maar ook doordat hij zich liet inspireren door de romantische idee van het krachtige, creatieve genie. Net als de romantische dichter Coleridge, waardoor Mill sterk werd beïnvloed, geloofde hij heilig dat de culturele elite van de burgerij – als opvolger van de oude elite van kerk en adel – het volk diende op te voeden, om het geschikt te maken voor de uitoefening van de nieuwe democratische rechten. Hoewel Mill een overtuigd democraat was, wenste hij het individu dat er afwijkende meningen op nahoudt te beschermen tegen de ‘tirannie’ van de democratische meerderheid en tegen het ‘juk’ van de publieke opinie. Populisme en individualisme waren voor hem onverenigbaar.

Hoewel hij consequent opkwam voor het individu, lijkt Mill in bijna niets op het type liberaal dat de staat beschouwt als een in wezen overbodig instituut. Hij zag zelfs een opvoedende taak voor de overheid om de deugdzaamheid en intelligentie van het volk te bevorderen. Als utilitarist was Mill bovendien gericht op het algemene nut of welzijn. Uiteindelijk moet de politicus zich volgens hem niet laten leiden door de (subjectieve) volkswil, maar door het (objectieve) belang van het volkswelzijn. Vrijheid is bij hem bovenal de vrijheid van individuen om hun menselijk potentieel zo volledig mogelijk te ontwikkelen. Alleen langs die weg is de hoogst mogelijke vorm van welzijn bereikbaar. Skorupski acht dit zo kenmerkend voor Mill dat hij het ‘the Millean principle’ noemt.

In iets meer dan honderd bladzijden geeft Skorupski, helder argumenterend, overtuigend zijn visie op de actualiteit van Mills filosofie. Robert Devigne, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Amerikaanse Tufts-universiteit, onderstreept in zijn Reforming Liberalism nog nadrukkelijker dat het Mill niet alleen ging om vrijheid, maar ook om wijsheid, om human excellence. Hij was, anders dan het hedendaagse liberalisme dat zich heeft aangepast aan de egalitaire samenleving, niet bang voor het verwijt elitair en intellectualistisch te zijn.

Devignes uitgebreide studie sluit uitstekend aan op het betoog van Skorupski. Devigne zet vooral uiteen wat we van Mill zouden moeten lezen en hoe. Zijn boek is een hartstochtelijk pleidooi om het niet bij het beroemde On Liberty te laten, maar om de hele Mill af te stoffen. Alleen dan wordt zichtbaar dat Mill niet in de eerste plaats de voortzetter was van het 18de-eeuwse Engels-Schotse liberalisme van Locke, Hume en Adam Smith. In werkelijkheid is dat liberalisme, met zijn overwegend negatieve vrijheidsbegrip – het vrijwaren van het individu van staatsbemoeienis, zonder in positieve termen aan te geven tot welk ideaal van mens en samenleving die vrijheid moet leiden – door Mill fundamenteel hervormd.

Ook Devigne schetst hoe Mill hierbij gebruik maakte van de klassiek-Griekse deugdethiek, om het oorspronkelijke liberalisme met vaste waarden te versterken, en hoe hij aan de Romantiek het ideaal ontleende van een hoogstpersoonlijke inrichting van het eigen leven. Maar vrijheid werd door Mill niet uitsluitend gekoppeld aan individuele zelfbeschikking, maar ook aan de culturele evolutie van een natie. Mill geloofde dat de geschiedenis een vaste volgorde van ontwikkelingsstadia laat zien. Alleen de hoogst ontwikkelde landen waren toe aan de volwaardige vrijheid van het individu. Zo probeerde hij de beginselen te formuleren van een algemeen Europees liberalisme. Daarmee tilde hij het liberale denken uit boven de beperkingen van zijn Angelsaksische oorsprong. Mill had bij uitstek een Europese agenda – ook dat maakt zijn werk actueel.

Net als Skorupski legt Devigne de verbinding naar het hedendaagse liberalisme, dat de echte lessen van Mill niet schijnt te kennen en voortdurend terugvalt op het negatieve vrijheidsbegrip van diens voorgangers. Daarmee doen liberalen zichzelf en hun rijke traditie tekort. Aan de ene kant wordt de negatieve vrijheid verabsoluteerd om (ongericht en ongeremd) persoonlijke passies te kunnen najagen, zonder onderliggend positief geformuleerd ideaal. Aan de andere kant wordt de burger voortdurend tot gehoorzaamheid gemaand met een tamelijk leeg beroep op verantwoordelijkheidsbesef. Devigne wijt deze spagaat aan die merkwaardige voortgaande oriëntatie van het liberalisme op de 18de eeuw, toen men wel een (negatief) vrijheidsbegrip invoerde, maar nog niet in staat was om los te komen van christelijke geboden, die gehoorzaamheid en volgzaamheid vereisten.

Mills liberalisme staat ongeveer even ver af van dit klassieke liberalisme als van het hedendaagse. Misschien is de afstand tot wat we nu onder liberalisme verstaan wel zo groot geworden, dat een volledige terugkeer naar Mill onmogelijk is. Toch laat onder meer de hernieuwde belangstelling voor Kant zien dat een normatief liberalisme in onze ankerloze tijd weer aantrekkingskracht heeft. Wellicht heeft de eenzijdige associatie van vrijheid met ongebondenheid dan toch zijn langste tijd gehad.

De hoofdwerken van John Stuart Mill zoals ‘On Liberty’ en ‘Utilitarianism’ zijn nog steeds in druk – onder meer in de reeks ‘Penguin Classics’. Bij Boom verscheen ‘Over vrijheid’, vertaald door W.E. Krull, 186 blz. € 17,50