De dood elk jaar opvrijen

Jorge Semprún: Twintig jaar en een dag. Uit het Spaans vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu. Meulenhoff, 287 blz. €17,50.

Tegen het eind van Twintig jaar en een dag worstelt de Spaans-Franse schrijver Jorge Semprún met de relatie tussen feit en fictie. Een begrijpelijke worsteling voor wie zijn oeuvre overziet. Semprún werd beroemd in de jaren zestig met het verslag van zijn verblijf in het concentratiekamp Buchenwald en won in 1977 de Spaanse ‘Premio Planeta’ met zijn autobiografie over zijn eigen rol in het anti-Franquistische verzet.

In Twintig jaar en een dag speelt de Franco-tijd andermaal een rol: op 17 en 18 juli 1956, twintig jaar na de opstand van Franco die het begin zou betekenen van de Spaanse Burgeroorlog. Even lang geleden is het ook dat op het landgoed La Maestranza bij Toledo de boeren in opstand kwamen en een landhervorming eisten. Bij de schermutselingen die volgden, werd één van de eigenaren, nota bene de meest progressieve van hen, doodgeschoten. Sindsdien dwingt de broer van de dode de boeren elk jaar die gebeurtenis als in een ritueel te herhalen. Het moet hun blijvend de schuld inpeperen die hen terecht tot de verliezers van de oorlog heeft gemaakt.

Hoe vrij is een schrijver in de behandeling van historische gegevens, zonder het risico te lopen van geschiedvervalsing? Semprún heeft dit oude vraagstuk in Twintig jaar en een dag meesterlijk in scène gezet: verbluffend in zijn constructie, maar helaas teleurstellend in de clou.

Ger Groot