Verveling en pantserglas

Vage kennis en half sentiment, veel meer levert het kijken naar een tv-programma meestal niet op.

Een van de fijnste voorbeelden van die vaag- en halfheid vind ik het Zomeravondcafé van de TROS, tussen half acht en half negen. Ontspannen praatjes met snel wisselende gasten, soms actueel, soms thematisch en meestal gewoon zo maar, in een bizar decor van licht verveelde dagjesmensen aan tafeltjes. We zijn hier te gast op een soort braderie. Een kok maakt onderwijl een maaltijd klaar, lekker. Nooit wordt het verrassend, nooit gaat het diep en nooit wordt het echt vervelend: er is heel veel afwisseling. Het is vakkundig gemaakt en goedkoop.

En wat houdt de kijker er aan over? Och, op het moment zelf blijft hij rustig op zijn bankje zitten. En als een paar dagen later het gesprek plotseling gaat over, zeg, allochtone ondernemers, zegt hij: „Ja, daar heb ik laatst iets over gezien. Goeie vrouw was dat.” That’s it.

En altijd weer moet ik dan denken aan een geniaal boek over tv dat vrijwel niemand kent: The age of missing information, van Bill McKibben, uit 1992. Deze journalist beschrijft er zijn ervaringen bij het kijken naar álle programma’s die op één dag te zien waren op de kabel (opgenomen met behulp van zo’n 90 kennissen met een videorecorder). Het duurt maanden om alles te zien. In zijn boek contrasteert hij zijn tv-belevenissen met de ervaringen tijdens het beklimmen van een berg niet ver van zijn huis, in de staat New York.

Hij beschrijft scherp hoe de kracht van doorsnee-tv vooral is dat zij zichzelf niet erg serieus neemt. Let maar eens op, voortdurend worden op tv grapjes over zichzelf en de tv gemaakt. Alles wordt zo gerelativeerd en uitgewist. Juist dat brengt de tv dicht bij de kijker, die ook vaak denkt: wat is dit nou weer voor onzin? En dan komt er gauw weer iets serieuzigs, enzovoorts. Samen komen tv en kijker de avond wel door...

Het kan natuurlijk ook anders. Verrukt keek ik gisteren naar een krankzinnig maar erg professioneel gemaakt programma op het ZDF: Joachim Bublath. Deze vrij nondescripte, klassiek Duitse presentator met grijs haar legde daar in een razend tempo van alles uit over glas, met voortdurend proefjes. Zonder enige actuele aanleiding, maar gewoon omdat het interessant is. Losjes, en bloedserieus. Nog nooit heb ik iemand zo vaak in zo’n korte tijd met een hamer op glas zien slaan. Het is een fantastisch programma, en van glas (ik weet nu hoe pantserglas werkt, en waarom autoruiten voorgespannen zijn, en waarom vensterglas niet) schakelde het – vrij willekeurig – over naar de sterlingmotor (eindelijk weet ik nu hoe die werkt) en ook nog naar de vraag of de landing op de maan indertijd niet geënsceneerd was. Het is in deze week Zomerkijken tot nu toe het enige programma waarbij ik vastbesloten ben er voortaan altijd naar te kijken.

Het meeste sentiment deed ik gister op bij de IKON-reportageserie De God van Nederland. Ik verdronk bijna in de hechtheid van die gereformeerde familie die vertelde over hun geloof. En wat waren ze allemaal intens zoekend en belevend! En dan was er óók nog een begrafenis te zien, allemaal prachtig gefilmd. Oef.

Take home message: de God van de Kerk is nu de betekenis geworden die je zélf aan je leven geeft. Een hele verbetering lijkt me.