‘VdH’ geeft andermaal het goede voorbeeld

Met een gouden en een zilveren medaille besloot de Nederlandse zwemploeg dag drie van de EK in Hongarije. Over de noodzaak van ‘zwemmen met beleid’. „Haar ideale race moet vast in haar systeem zitten.”

Mark Hoogstad

Verstaat ze eindelijk de kunst van het zwemmen van een finale, duikt daar ineens een Duitse op, die ‘zomaar’ ruim een seconde sneller blijkt te zijn. Marleen Veldhuis erkende gisteravond, na haar zilveren medaille op de 100 meter vrije slag, „best een beetje jaloers” te zijn op Britta Steffen, de ongenaakbare winnares van de 100 meter vrije slag op dag drie van de Europese kampioenschappen op de langebaan (50 meter) in Boedapest.

Op de race van de oud-waterpoloster uit Borne viel weinig tot niets aan te merken. Anders dan voorheen liet ze zich het hoofd in de eerste vijftig meter niet op hol brengen. Het was ‘zwemmen met beleid’, om te voorkomen dat ze zichzelf na het keerpunt zou opblazen. Keurig hield Veldhuis zich aan de opdracht: ze ging – zoals dat in zwemmerstaal zo mooi heet – ‘af’ in 26,22 seconden. Met als gevolg dat ze voldoende lucht over had voor het tweede deel van haar race, die ze afsloot in een scherpe 54,32.

Maar op Steffen, maandag al de motor van de winnende estafetteploeg (in wereldrecordtijd), stond gisteren geen maat in het Alfréd Hajós-complex. De 22-jarige studente uit de voormalige DDR verpulverde haar eigen persoonlijk record (54,21) met bijna één seconde: 53,30. Daarmee haalde de voormalige estafettereserve twaalfhonderdste af van de mondiale toptijd, die de Australische Lisbeth Lenton in januari op 53,42 had gebracht.

Het zwemmen van een afstand langer dan vijftig meter vergt beleid en dus zelfbeheersing. Zo gretig is Veldhuis van nature dat ze zichzelf al meer dan eens de vernieling in zwom. Ongewild vormde ze het bewijs van de in het topzwemmen heilige stelling: elke tiende van een seconde te snel op de heenweg betekent er twee inleveren op de terugweg.

Haar overhaaste racetactiek bezorgde Veldhuis het stempel van ‘het eeuwige talent dat geen finales kan zwemmen’. Gisteren brak de 27-jarige Twentse met die naargeestige traditie, al hield ze ‘slechts’ een tweede plaats over aan haar nieuwe zakelijkheid. „Maar dit was wel de race zoals ik ’m moest zwemmen.”

Pieter van den Hoogenband verstaat de kunst van de race-indeling als geen ander. Dat bewees de drievoudig olympisch kampioen gisteren opnieuw, met een bemoedigend optreden op de 200 meter vrije slag, die hij afsloot met een winnende tijd van 1.45,65. Daarmee voldeed hij aan de opdracht die hij zichzelf vooraf had gesteld.

Toch begroette VdH de 22ste gouden medaille uit zijn carrière, Nederlands eerste in Boedapest, met een voor zijn doen ongekende blijdschap. Maar de sprinter uit Geldrop was het afgelopen jaar dan ook door „een heel diep dal” gegaan, waarbij zijn carrière op het spel stond na een zware hernia-operatie.

Zijn titelprolongatie, bij zijn eerste grote toernooi sinds de Spelen van Athene (2004), was naar eigen zeggen „de beloning voor alle offers die ik heb moeten brengen”. Het bewijs ook dat de ex-rugpatiënt („Ik ben beretrots op mezelf”) nog steeds in staat is zichzelf te pijnigen in trainingen, en nog altijd een hoofdrol speelt in de internationale bassins. Al beseft hij dat de concurrentie op de dubbele sprintafstand niet zozeer uit Europa komt, als wel van daarbuiten.

Die wetenschap weerhield zijn twee grootste concurrenten van gisteren, Massimiliano Rosolino (tweede) en Filippo Magnini (derde), er niet van om voor de camera’s van de Italiaanse televisie een eresaluut te brengen aan hun bedwinger. De baas is terug, luidde het compliment, dat Van den Hoogenband vervulde met trots. „Daar spreekt respect uit.”

Indrukwekkend was gisteren eveneens Laure Manaudou, die op de 800 vrij het oudste (individuele) Europese record uit de boeken zwom. Met haar 8.19,29 was de 19-jarige Française met een Nederlandse moeder een fractie sneller dan de 8.19,53 die de Oost-Duitse – en later van doping verdachte – Anke Möhring op de klokken bracht, toen Manaudou haar eerste verjaardag nog moest vieren.

Roemloos daarentegen ging Inge Dekker gisteren ten onder. In de schaduw van Steffen en Veldhuis tikte de 20-jarige sprintster uit Spijkenisse aan als achtste en laatste op de 100 vrij: 55,20. Ter vergelijking: als startzwemster op de 4x100 vrij zette Dekker maandag, ondanks een inzinking in de laatste dertig meter, nog een tijd neer van 54,62.

Aan de rand van het uitzwembassin sprak hoofdcoach Jacco Verhaeren gisteren troostende woorden. Al ontkwam hij niet aan een harde conclusie: „Dit was niet goed. Inge heeft hier vier 100 meters gezwommen, en keer op keer was het een andere race. Met telkens een andere slagfrequentie, een andere slaglengte, noem maar op. Op dit niveau moet de voor haar ideale race vast in haar systeem zitten.”

Dekker is, meer nog dan Veldhuis, het voorbeeld van een talent dat, aldus Verhaeren, „niet zwemt naar haar mogelijkheden”. Met andere woorden: ook zij moet leren haar races (beter) in te delen. Twee maanden geleden kreeg hij de psychologiestudente, tot dan toe actief in Dordrecht, in handen. „Inge pikt alles verrassend snel op, maar we hebben nog een lange weg te gaan.”

Haast is geboden, zoals Veldhuis impliciet erkende na te zijn verrast door een zwemster die tot voor kort een ondergeschikte rol speelde: „Er kunnen zomaar nieuwelingen opduiken.”