Oorlogsrecht blijft oorlogsrecht, ook na 9/11

Alan Dershowitz stelt dat de wetten van de oorlog aan de nieuwe werkelijkheid moeten worden aangepast. „Een democratie”, betoogt hij, „mag de levens van zijn eigen onschuldige burgers boven de levens van burgers van een agressor stellen, zeker als tot die laatste groep veel mensen behoren die medeplichtig zijn aan de terreur” (Opiniepagina, 28 juli). Aan deze gedachtegang ligt een gevaarlijke premisse ten grondslag, namelijk die van een ‘gerechtvaardigde oorlog’. Omdat deze gevoerd zou worden tegen een ‘moreel verwerpelijke tegenstander’ zou meer geoorloofd zijn om het einddoel te bereiken.

Met deze gedachtegang gaat Dershowitz voorbij aan het belangrijkste basisbeginsel van het oorlogsrecht, zoals onder meer vastgelegd in de Verdragen van Genève en Aanvullende Protocollen. Deze verdragen hebben ten doel eenieder die niet deelneemt aan de gevechten te beschermen. Deze bescherming geldt ongeacht de aard van de strijdende partij, juist omdat ze niet deelnemen aan de strijd en daar dus tegen beschermd moeten worden.

Het oorlogsrecht heeft zich ontwikkeld sinds de 19de eeuw. Uiteraard zijn de regels meermaals aangepast, maar aan de uitgangspunten is niets veranderd. Wel is de bescherming van slachtoffers uitge-breid. Als gevolg van de gruwelijkheden begaan jegens burgers en krijgsgevangenen in WO II is het principe van ‘wederkerigheid’ afgeschaft: het feit dat een tegenstander zich niet houdt aan het oorlogsrecht,ontslaat de tegenpartij niet van zijn eigen verplichtingen onder het recht.

In de afgelopen periode, met name sinds de aanslagen in de Verenigde Staten in 2001, is vaker betoogd dat het recht aan de nieuwe omstandigheden moet worden aangepast. Deze discussie betreft met name de positie van ‘vijandige strijders’ en de rechten waarop zij aanspraak kunnen maken. Het opheffen van de bescherming van burgers, zoals Dershowitz betoogt, is daarbij terecht nooit aan de orde geweest.

Israël heeft het recht op zelfverdediging, maar binnen de regels van het oorlogsrecht. Datzelfde geldt voor de tegenpartij. Ondanks het feit dat Hezbollah, zoals andere gewapende milities, geen partij is bij de Verdragen van Genève, is Hezbollah er wel degelijk aan gebonden. In het internationaal gewoonterecht is bepaald dat ook gewapende milities zich aan de regels van het oorlogsrecht moeten houden.

Leiders van dergelijke milities zijn verantwoordelijk gesteld voor oorlogsmisdaden, zoals recentelijk Joseph Kony door het Internationaal Strafhof, voor misdaden begaan in Oeganda. Het oorlogsrecht vereist dat Hezbollah de burgerbevolking van Libanon niet in gevaar brengt. Dat betekent dat het hun verboden is zich temidden van Libanese burgers te verschuilen, of katjoesja-raketten te lanceren vanuit hun huizen. Ook is het niet geoorloofd om burgerobjecten in Israël aan te vallen.

Het is een feit dat burgers in oorlogen de hoogste tol betalen. De beste garantie voor een betere bescherming van burgers is een strikte naleving van het oorlogsrecht, door alle partijen. Het ontkennen van de rechten van burgers in Libanon door Dershowitz is een verwerpelijke gedachtegang. In het belang van alle slachtoffers van gewapende conflicten wereldwijd spreekt het Rode Kruis strijdende partijen steeds opnieuw aan op hun verplichtingen onder het humanitair oorlogsrecht.

Iedere burger heeft recht op hulp en bescherming, overal ter wereld – en dus ook in Libanon en Israël

Cees Breederveld is algemeen directeur van het Nederlandse Rode Kruis

Het artikel ‘Proprotionaliteit is illusie’ van Alan Dershowitz is na te lezen op www.nrc.nl/opinie