Met de poten in het bluswater

Vandaag is het precies zeventig jaar geleden dat de Amsterdamse verslaggever Job Sand overleed. Sand beschreef ‘de ratten van Amsterdam’. Hij is volkomen vergeten. Dat is niet terecht.

Job Sand (1888-1936) was in zijn tijd een bekende verslaggever. Hij begon zijn loopbaan bij het Nieuwsblad voor Nederland. Vervolgens werkte hij twintig jaar lang als verslaggever voor De Telegraaf. De laatste drie jaar van zijn leven was hij chef-verslaggever bij het Algemeen Handelsblad.

,,Sand was een typisch Amsterdamsch reporter, een verslaggever in grooten stijl’’, schreef zijn collega Piet Bakker in 1936 in zijn necrologie in het vakblad De Journalist.

Sand was volgens Bakker ,,de knapste brandweerverslaggever van Nederland.” Hij trok er niet simpelweg op uit om een brandje te verslaan, nee, hij trad vier maanden in dienst bij de Amsterdamse brandweer. Hij sliep in de kazerne en rukte met de ‘spuitgasten’ mee uit, in vol ornaat, naar grote én kleine branden.

Sands brandverslagen zijn in 1927 door De Telegraaf gebundeld in een boekje getiteld Als de alarmklok roept. Amsterdamsche brandweer avonturen.

Zijn mooiste boek, dat al een paar jaar daarvoor, in 1922, was verschenen, is getiteld De ratten van Amsterdam. In dit boek doet Sand verslag van zijn belevenissen in ‘misdadig Amsterdam’. Samen met een rechercheur van bureau Warmoesstraat, Walden genaamd, trok Sand er bij nacht en ontij op uit. De participerende journalistiek zat er bij Sand al vroeg in. Hij vond het niet genoeg om met Walden mee te lopen en op te tekenen wat er gebeurde, als het nodig was knokte hij zelf mee.

Naar de huidige maatstaven ging Sand – een potige, hoekige kerel – daarin behoorlijk ver. Zo beschrijft hij de arrestatie van een Amsterdamse pooier, ergens op het platteland. Walden en Sand liggen dagenlang op de loer voordat de pooier opduikt. Na de inval ontstaat een hevig gevecht. Sand wordt met een bierfles op het hoofd geslagen. Met een gummistok gaat hij de pooier te lijf. Als die vervolgens zijn nijf (mes) trekt, schakelt Sand hem uit met een harde trap in zijn maag.

Op een gegeven moment schaft Sand zelfs een revolver aan. Hij heeft gehoord dat Amsterdamse onderwereldfiguren loeren op een gelegenheid om hem en Walden af te tuigen. Daarom koopt hij ,,een mooie, blinkende Bulldog, die precies in de achterzak van mijn pantalon paste.’’

Sand moet zijn Bulldog zelfs een keer gebruiken! Op een nacht weten Walden en hij met een geconfisqueerde taxi twee inbrekers klem te rijden (er zat al iemand in de taxi, maar Sand en Walden gaan aan weerszijden op de treeplanken aan de buitenkant staan). De inbrekers weigeren zich over te geven en binnen de kortste keren worden Sand en Walden omringd door souteneurs, hoeren en klaplopers. Iemand gooit een steen en er wordt geroepen: ,,Slinger die twee de majem in!’’

Sand en Walden voelen zich zo bedreigd dat ze in de lucht schieten. ,,Een rosse glans flikkert even over ’t asphalt’’, schrijft Sand, ,,twee knallen kort achteréén weerklinken en een grijze rook, die eigenaardig afsteekt tegen de donkere lucht, trekt weg.’’

Aan het slot van zijn boek zegt Sand hoe hij zelf over misdaadbestrijding denkt. Hij is voor de harde aanpak, zoals in Parijs, Londen en New York. ,,Ik ben geen rigorist’’, schrijf hij, ,,maar ik ben ervan overtuigd, dat het kwaad alleen gekeerd kan worden door gewelddadige vervolging.’’ Geen agent bij de ingang van bordelen die klanten slechts mag waarschuwen, geen middernachtzending, gewoon alle verdachten bij een razzia oppakken.

Sand schreef nog diverse boeken – over de Amsterdamse burgerwacht, over de Limburgse steenkolenmijnen en (samen met Piet Bakker) een fraai dik werk over leven en werken in Amsterdam. De meeste boeken zijn zeldzaam en over Sand zelf is opmerkelijk weinig geschreven.

Job Sand overleed op 3 augustus 1936 aan een hartaanval, tijdens het maken van een brandverslag, ,,met de poten in het bluswater’’, zoals het ergens heet. Bij zijn begrafenis zei de hoofdbrandmeester van Amsterdam: ,,Job, dit is je laatste rit geweest, je hebt méér voor hete vuren gestaan.’’ En Ed. Hoornik eindigde het gedicht ‘De laatste brand’, dat hij speciaal voor Sand schreef, met de woorden: ,,Toen brak zijn hart onder een witte vlam / en liep een melder af in Amsterdam.’’

Met dank aan Piet Hagen.