Het zwart-witdenken van de verongelijkte

Waarom verschilt de Nederlandse verwerking van de Tweede Wereldoorlog zo van die in andere landen? Waarom is in Nederland de oorlog zo veel sterker een ijkpunt gebleven? Zulke vragen wil Marjan Schwegman, wanneer zij per 1 maart 2007 directeur van het Nederlandse Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) wordt, op de agenda plaatsen.

Dat idee heeft zij ontvouwd in een gesprek met onze krant op 25 juli en later met enkele andere kranten. Een goed idee, omdat de wijze waarop de Nederlanders de jaren 1940-’45 verwerkt hebben – of nog steeds niet verwerkt hebben – veel zegt over onszelf, en het antwoord op die vragen kan bijdragen tot onze zelfkennis.

Als betrekkelijke buitenstaander bij het Nederlandse discours over de Duitse bezettingsjaren – zelf heeft zij zich eerder gespecialiseerd in de nieuwste Italiaanse geschiedenis – is zij telkens verbaasd, zegt zij, „over het verlangen naar zwart-witdenken” telkens wanneer de discussie opspeelt. Nog altijd blijkbaar, want haar voorganger, J.C.H. Blom, heeft toch een zekere nuancering proberen aan te brengen in dat zwart-witdenken.

Dit is eerder toe te schrijven aan de enorme invloed die de eerste directeur van het NIOD, L. de Jong, heeft gehad op het beeld dat hele generaties hebben van die bezettingsjaren. In zijn standaardwerk over Nederland en de Tweede Wereldoorlog domineert het goed-foutcriterium – een in wezen moralistisch criterium. Dat heeft mede daarom zo’n ingang weten te vinden bij de Nederlandse bevolking omdat deze sowieso al sterk geneigd was de politiek door een moralistische bril te bekijken. De invloed die de confessionele partijen op dit denken hebben gehad, is hierbij niet te onderschatten, maar ook vrijzinnigen waren daar niet vrij van, hoewel bij hen het legalisme veelal de plaats van moralisme innam.

Dat was allemaal vóór de Tweede Wereldoorlog. Wat dat betreft, viel De Jongs zwart-wit- of goed-foutschema niet op onvoorbereide bodem. Maar er waren natuurlijk ook andere factoren die maakten dat Nederland langer dan andere West- Europese landen die een Duitse bezetting hadden meegemaakt, bleven hangen aan dat zwart-witschema dat Marjan Schwegman zo verbaast.

Laat mij één van die factoren suggereren, zonder mij overigens te beroepen op historisch onderzoek of de pretentie te hebben origineel te zijn. Die factor is dat Nederland sinds 1813 niet meer door een vijandelijke mogendheid bezet was geweest en sindsdien een, zeker in eigen ogen voorbeeldige, neutraliteit had betracht. Het had geen deel aan de boze wereld.

Daarom kwam de Duitse inval van 10 mei 1940 als een grote schok – groter wellicht dan bij andere Europese volken, die al eerder in gewelddadige aanraking waren gekomen met dezelfde vijand. Voor Frankrijk was de Tweede Wereldoorlog de derde keer, na 1870-1871 en 1914-1918, dat het door de Duitsers onder de voet werd gelopen. De Fransen wisten dus wat hun te wachten stond.

Dat was zelfs min of meer het geval met de neutrale Belgen en Denen. De neutraliteit van het eerste land was al een keer in de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers geschonden geweest, en Denemarken had in de negentiende eeuw tweemaal oorlog gevoerd met de Duitsers – oorlogen waarvan de herinnering in de Deense literatuur bleef voortleven.

Het was eigenlijk alleen Noorwegen dat zich in dezelfde staat van psychische onvoorbereidheid bevond als Nederland, toen de Duitsers er in april 1940 binnenvielen. Zou daar de manier waarop de Noren na de oorlog de kinderen behandelden die Noorse vrouwen van Duitse soldaten hadden gekregen – grotendeels werden die in tehuizen voor geestelijk on-volwaardige kinderen opgesloten – iets mee te maken hebben?

Hoe dit ook zij – de Fransen, Belgen en Denen waren in 1940 meer door de wol geverfd dan de Nederlanders. Voor de laatsten was de schok van de inval dus dienovereenkomstig groter. Ja, zij vonden dat zij speciaal, juist door hun voorbeeldige neutraliteit, die inval – en al de gevolgen ervan – niet verdiend hadden. Dat bleven de voorbeeldige leerlingen die we ons voelden, de Duitsers nog lang nahouden.

Door die houding van moreel verongelijkte zou Nederland na de oorlog nog voor problemen komen staan. Immers, economisch gezien was het in belangrijke mate afhankelijk van zijn Duitse achterland. Nederland had dus belang bij een spoedige herleving van de Duitse economie, dus van zijn economische macht. Hoe dat te verzoenen met de behoefte aan rechtsherstel, om niet te spreken van vergelding of wraak?

Ambitieuze wensen grote delen van Duitsland te annexeren (zonder bevolking!) verdwenen dan ook spoedig in een la, en Elten en Tudderen werden ten slotte in 1963 teruggegeven. Intussen was Nederland Duitslands partner (in de Europese Gemeenschap) en zelfs bondgenoot (in de NAVO) geworden. Daarmee was natuurlijk een blijvende wrok jegens Duitsland nog veel minder te verzoenen.

Frankrijk, dat driemaal in zeventig jaar slachtoffer van Duitse agressie was geweest, was al in 1950, vijf jaar na de oorlog, voorgegaan in verzoening door het initiatief te nemen voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, spoedig gevolgd door een Europese Defensiegemeenschap, waarin Duitsland (althans West-Duitsland) vrijwel op voet van gelijkheid opgenomen zou moeten worden.

Natuurlijk waren hier Franse belangen in het spel, maar dat doet aan het beginsel van een verzoening niet af. In elk geval kon Nederland moeilijk mokkend aan de zijlijn blijven staan, met het argument dat het in 1940-’45 zo veel slechter door de Duitsers was behandeld dan de andere bezette landen. Dat zorgde lange tijd voor een spagaat in het Nederlandse denken over Duitsland, want aan de andere kant wilde het toch ook graag profiteren van Duitslands groeiende economische macht en van de bufferpositie die de Duitse troepen ten opzichte van het nog meer gevreesde Oostblok innamen.

Intussen is op regeringsniveau dit verleden allang verwerkt. Het is alleen op het niveau van de openbare mening dat het zwart-witdenken van de verongelijkte nog wel eens opspeelt – vaak uit de behoefte die de kleine man soms voelt om de grote buurman te jennen.