Het eigen huis als  molensteen

Nederlanders sparen, lenen en beleggen steeds meer. En steeds vaker kortlopend.

Dat betekent stress. Zoals vandaag, nu de rente vrijwel zeker omhoog gaat.

Het is zeer ongebruikelijk dat Europa’s centrale bankiers in augustus afreizen naar Frankfurt, om bij de Europese Centrale Bank een besluit te nemen over de rente. Normaal hebben ze deze maand vrij.

Maar vandaag zijn ze er toch, voor een speciale bijeenkomst. Het is vrijwel zeker dat de rentevoet in de landen die deelnemen aan de euro, dus ook Nederland, vanmiddag door hen wordt opgeschroefd van 2,75 procent naar 3 procent. Economen bij banken en beleggingsinstellingen twijfelen daar niet aan.

Dit rentebesluit lijkt abstract en ver van ons bed. Het tegendeel is waar. De beslissing raakt steeds meer Nederlanders. Want naarmate zij actiever worden met sparen, lenen en beleggen, wordt de prijs van geld steeds belangrijker.

Eerst een paar cijfers. Wij Nederlanders sparen samen voor ruim tweehonderd miljard euro. In onze verzekeraars en pensioenfondsen zit nog eens een kleine duizend miljard euro. En onze huizen zijn fors in waarde gestegen. Ook daarin zit een onbenut netto vermogen.

Aan de andere kant staan we voor een recordbedrag in het rood. Zeker niet alleen op de bankrekening of met allerlei kredieten – vooral met onze hypotheek.

Deze opmars van sparen, lenen en beleggen is verklaarbaar.

Om te beginnen het sparen. Sparen is niets voor jongeren. Pas op middelbare leeftijd, wanneer de oude dag niet langer een ver fantoom is en de studiekosten voor de kinderen opdoemen, beginnen mensen echt met sparen. En daar houden ze nooit meer mee op. Naarmate de bevolking gemiddeld ouder wordt, en dat gebeurt nu, wordt er dus meer gespaard.

De leenexplosie heeft te maken met de huizenmarkt, waar hogere woningprijzen navenant grotere hypotheken vergen. Maar dat niet alleen. Ook de moraal is veranderd. Nog maar een paar decennia geleden was lenen voor consumptie not done. Er werd pas gekocht als het geld er daadwerkelijk was.

Dat idee is vrijwel verdwenen. Het is geen schande meer om op krediet te kopen – en om nu al te genieten en later wel te zien hoe de financiering wordt afgehandeld.

Maar zo zorgeloos als de losse financiële moraal in advertenties wordt gebracht, is zij niet. Wie spaart, maakt zich druk om de opbrengst. En wie leent, maakt zich zorgen om de kosten. Uit tal van onderzoeken in de economische psychologie blijkt dat de angst om te verliezen bij mensen groter is dan de vreugde van het winnen.

De zorgen om de prijs van het geld, de rente, zijn dan ook vooral geconcentreerd bij het lenen. En dus is de vraag ‘wat doet de rente’ niet langer voorbehouden aan de professionals bij de banken en op de financiële markten. Ook de burger maakt zich er steeds drukker om.

Waar moet die bezorgde burger precies op letten?

Ten eerste op de looptijd van een lening of spaartegoed. Bij een normale rentestructuur geldt: hoe langer de looptijd van een lening of spaartegoed, hoe hoger de rente.

De rente op ‘kort geld’ wordt bepaald door de centrale bank. In de eurozone is dat de Europese Centrale Bank, de ECB. De rente op ‘lang geld’ wordt bepaald door de nukken van de beurs. Het is belangrijk om dat verschil goed in de gaten te houden.

De ECB oefent haar macht over de kortlopende rente uit door de commerciële, ‘gewone’ banken toe te staan geld bij haar te lenen tegen een tarief dat de centrale bank vaststelt. Als de Europese Centrale Bank vandaag de rente verhoogt, heeft dat dus gevolgen voor leningen en spaargeld in het kortlopende domein: rood staan en allerlei vormen van doorlopend krediet. Maar óók: hypotheken met een variabele rente.

De rente op langlopende hypotheken heeft weinig last van de beslissingen van de ECB. Bij een looptijd van een maand of drie houdt de invloed van de centrale bank namelijk op. Dan begint het domein van de obligaties. Dat zijn langlopende, verhandelbare leningen waarvan de koers op de beurs wordt bepaald door vraag en aanbod, net als bij aandelen.

Toonaangevend daarbij zijn de staatsobligaties. Overheden zijn de belangrijkste en doorgaans meest betrouwbare leners. Zij moeten hun staatsschuld financieren. Staatsobligaties, waarvan de looptijd varieert van minder dan een jaar tot soms wel dertig jaar of meer, zijn dan ook leidend voor de koers van andere leningen, bijvoorbeeld van grote bedrijven.

De rente voor langlopende obligaties staat niet vast: die hangt af van de koers van de obligaties op de beurs. Dat zit zo: de prijs van een obligatie die bijvoorbeeld 5 procent rente geeft, kan stijgen op de beurs. Dan blijft de rente die de eigenaar krijgt uitbetaald weliswaar hetzelfde, maar de eigenaar van de obligatie heeft er wel meer geld voor betaald. Effectief, dus ten opzichte van de obligatiekoers, is de rente dan gedaald.

De lange rente verandert dus pas als op de obligatiemarkt met koersstijgingen of koersdalingen op de stap van de centrale bank wordt gereageerd. Dat geldt ook voor de rente op spaargeld dat voor langere tijd is weggezet. En voor de rente op leningen die voor langer zijn aangegaan. Deze rente staat meestal vast. De consument merkt pas iets van de veranderingen als hij zijn contract moet verlengen.

Voor de burger die geen gedoe wil, is het dus het slimst om met een lange looptijd te lenen of te sparen. Wie kortlopend leent of spaart, kan telkens worden verrast. Toch neigt de Nederlander tegenwoordig juist naar kórtere looptijden – en dus meer risico.

Spaargeld met een vaste looptijd daalde sinds 2003 met een zesde, tot een kleine 20 miljard euro. Spaargeld met een opzegtermijn steeg met een derde, tot 224 miljard. Bij het consumptief krediet is hetzelfde te zien. Daar verdrievoudigde sinds 2000 de waarde van leningen met een looptijd tot één jaar, tot 19,6 miljard euro. Leningen met een langere looptijd daalden met 20 procent tot 6,1 miljard). En van de woninghypotheken had afgelopen jaar nog 30 procent een rentevaste periode van minder dan twee jaar.

Al met al hebben meer mensen dan ooit te maken met de kortlopende rente – en dus met de besluiten van de centrale bank in Frankfurt.