Een pingpongwedstrijd tussen cultuur en natuur

Mongolian Ping Pong (Lu cao di). Regie: Ning Hao. Met: Hurichabilike, Dawa, Geliban. **

Films brengen mensen op plekken waar ze niet kunnen komen. Op de Mongoolse steppen bijvoorbeeld. Maar het Mongoolse gras, dat voor de toeschouwer altijd groener dan groen lijkt, is voor de nomaden die er op leven toch niet groen genoeg. Zij leven in traditionele joert-tenten zonder elektriciteit en stromend water, en dromen bijvoorbeeld van een tochtje naar de Chinese hoofdstad Beijing. Hoe makkelijk dat gaat blijkt uit het openingsbeeld van Mongolian Ping Pong van debutant Ning Hao (1977), waarin de familie van de tienjarige hoofdpersoon Bilike geduldig poseert voor een in het grasland opgetrokken poster van het Plein van de Hemelse Vrede. Ver weg en toch dichtbij. En in één ijzersterk shot legt Ning de betrekkelijkheid van het verlangen naar exotische verten bloot.

Behalve die uitrolbare stadsgezichten en die onaangeraakte natuurtaferelen heeft Ning Hao nog een troef: het pingpongballetje dat Bilike op een ochtend in een beek vindt. Het tafeltennisballetje is niets minder dan hét symbool van China. Lees: van de grote stad en de vooruitgang en van alles wat er op de steppen ontbreekt, zoals televisietoestellen, auto’s, popmuziek, de laatste mode. Het is onvermijdelijk om daarbij te denken aan het colaflesje uit de klassieke traditie-versus-vooruitgangfilm The Gods Must Be Crazy uit 1980, waarin een Sho-krijger dat symbool van het kapitalisme in de Kalahari-woestijn vindt en waarna zijn leven nooit meer hetzelfde zal zijn.

De pingpongwedstrijd die Mongolian Ping Pong wil laten zien tussen natuur en cultuur, stad en platteland, overlevering en moderniteit is echter een stuk minder dwingend. Dat zou misschien niet zo opvallen als er niet net een echt briljant droevige en stil glimlachende film over dezelfde thema’s uit Mongolië was gekomen: The Cave of the Yellow Dog van Byambasuren Daava. Die draait gelukkig nog in een aantal filmtheaters.