‘Cricketclubs moeten meer investeren in de jeugd’

Nederland begint morgen het EK cricket in Glasgow tegen Italië. Bondscoach Peter Cantrell vindt dat het niveau in Nederland zich onvoldoende ontwikkelt.

Peter Cantrell vraagt zich wel eens af wat er de afgelopen jaren allemaal is gebeurd in het Nederlandse cricket. De 43-jarige Australiër, sinds een jaar bondscoach, kwam in 1983 als tiener naar Nederland, waar hij speler-coach werd bij Kampong. Nu, 23 jaar later, is het niveau van het topcricket in Nederland nauwelijks beter dan destijds, constateert Cantrell. „De competitie wordt nog steeds gedomineerd door buitenlandse profs. De top is nog steeds smal, het aantal cricketers in Nederland stagneert al jaren”, zegt hij somber aan de vooravond van het EK in Glasgow, waar Nederland met Denemarken, Italië, Ierland en Schotland om de titel strijdt.

Natuurlijk zijn er ook veranderingen geweest. Zo spelen vier Nederlandse clubs tegenwoordig op graswickets, de ondergrond die internationaal de standaard is, maar waar Nederlandse spelers vroeger alleen in het buitenland op konden trainen en spelen. Het Nederlands elftal traint wekelijks op de graswickets van Kampong, de club waar Cantrell een groot deel van zijn leven doorbracht. „De spelers zijn tegenwoordig fitter, de begeleiding van de selecties is professioneler, we spelen veel meer in het buitenland dan vroeger.”

Maar een echte doorbraak blijft uit. Cricket wint in Nederland nauwelijks aan populariteit, en voor de internationale top is Nederland een cricketdwerg tussen grootmachten als Australië, Engeland, India of Zuid-Afrika, zoals een maand geleden nog eens werd bewezen toen Sri Lanka op een achternamiddag in Amstelveen een wereldrecord bijeensloeg tegen een tandeloos Nederland.

Volgens Cantrell, die zich in 1994 in Utrecht vestigde en nog altijd voor Kampong speelt, denkt dat het ontbreken van een cricketcultuur in Nederland de ontwikkeling van de sport in de weg staat. „Cricket wordt niet op straat gespeeld, niet op scholen, het is niet op televisie te zien. Een wedstrijd duurt niet negentig minuten, maar een hele dag. Tegen dat soort dingen bots je op.”

Mede daardoor maken buitenlandse professionals in de competities nog steeds de dienst uit, wat volgens critici ten koste gaat van jonge talenten. Cantrell verwijt de topclubs kortzichtigheid. „Ze geven heel veel geld uit aan spelers uit Australië, Nieuw Zeeland of Zuid-Afrika die een veel te grote invloed hebben op de resultaten. De clubs zijn bang te degraderen. Voorstellen om die buitenlandse invloed te beperken houden ze tegen. Misschien moet de cricketbond het wel opleggen.” Cantrell vindt dat de clubs hun geld beter kunnen uitgeven aan échte coaches die zich storten op de jeugd.

Maar Cantrell maakt zich zelf ook schuldig aan het opstellen van buitenlanders in zijn selectie, erkent hij. Nederland speelt op het EK met vier buitenlanders die op grond van een Nederlands paspoort of door hun carrière in Nederland speelgerechtigd zijn voor de Nederlandse ploeg: de Zuid-Afrikanen Billy Stelling en Ryan ten Doeschate en de Nieuw-Zeelanders Darron Reekers en Peter Borren. Cantrell, die zelf in de jaren negentig ook 64 keer voor Nederland speelde: „Ik selecteer die spelers omdat ze mogen spelen. Als er betere Nederlanders waren, zou ik die opstellen.” Maar volgens Cantrell is een speler als Ten Doeschate, beroepscricketer in Engeland, een ‘matchwinner’ en een ‘rolmodel’ voor talenten als de 16-jarige Alexei Kervezee.

De bondscoach stelt wel zijn grenzen om te voorkomen dat er helemaal geen Nederlanders meer meedoen. Hij krijgt regelmatig vragen van Zuid-Afrikaanse of Australische profs met een Nederlandse achtergrond die voor Nederland willen spelen: voor hen is het de kortste weg naar deelname aan het WK, volgend jaar op de Caribische eilanden. Hoe verleidelijk ook, Cantrell wijst zulke versterkingen af. „Ik wil alleen werken met spelers die hier komen wonen en met de groep meetrainen. Ik wil niet allerlei mercenaries (huurlingen, red.) uit het buitenland laten invliegen voor een groot toernooi. Maar de meesten willen geld verdienen, dat hebben we niet.”

Maar Cantrell, behalve bondscoach golfprofessional bij de Utrechtse Golfclub Amelisweerd, is inmiddels gewend aan de Nederlandse mentaliteit. Bijvoorbeeld spelers die op de training uitleg willen over het waarom. „Toen ik hier net kwam werd ik daar gek van”, zegt Cantrell. „Je moet je als coach in Nederland verantwoorden. Nu ben ik eraan gewend. Het heeft ook wel wat, spelers denken mee. Voetballers in Nederland bemoeien zich ook met de tactiek. In Australië staat een coach meer boven de spelers.” Hij ziet meer verschillen. „Nederlandse cricketers willen het vaak alleen mooi spelen, net als voetballers. Dan mis ik die mentaliteit van ‘over-mijn-lijk’. Dat hebben Australiërs veel meer.”

Cantrell, die in 1990 als invaller-fielder één keer in een testmatch van Australië mocht opdraven en prompt twee Engelse batsmen uitving, vindt wel dat er iets moet gebeuren met het Nederlandse cricket. „Anders hebben we over twintig jaar hetzelfde gesprek. Cricket moet veel meer naar de steden toe, naar de scholen.”