Chirurgenliefde

Het Grote Hotel, waar de dorpelingen nu een kalender mee uitsparen, en dat daarvoor een leegstaande ruïne was en daarvoor een klooster, heeft een hoerige geschiedenis. Kerken worden supermarkten en kapellen garages – zo verging het ook ons klooster voor het een bouwval werd.

Kloosterorden werden al vroeg verboden in Portugal. ’t Moet in de negentiende eeuw zijn geweest, maar ik ben geen historicus en de tijd zelve is ook nauwelijks betrouwbaar. Elk land heeft wel een verstandige bui, en de Portugezen zouden nog eenmaal zo’n bevlieging krijgen toen ze in 1908 hun koning doodschoten. Twee jaar later werd het land een republiek. Dat dit beroerd afliep en leidde tot een langdurige dictatuur onder de fascisten lag niet aan het verstand.

Terug naar de kloosters. Ze mochten blijven bestaan tot de laatste non of monnik was gestorven. De laatste non van Vila Pouca werd 103. ’t Zal de goeie lucht zijn geweest, hier in de bergen.

In de jaren twintig en dertig functioneerde het ex-klooster als regeringsgebouw. Een dependance van het ministerie van Landbouw, een tijdelijke kazerne, dat soort dingen. Toen dook Bissaia Barreto op, goeie vriend van dictator Salazar. Fernando Bissaia Barreto was chirurg, filantroop, reinheidsmaniak en kindervriend. Een explosieve combinatie onder fascisten. Zijn nobele streven om de tuberculose te bestrijden en de jonge patiëntjes in één ruk door te vormen naar lichaam en geest (‘eert uw vaderland en uw leider en geniet van uw dieet van raapstelen en ge-malen dollekervel’) maakten dat Salazar hem met genoegen het regeringsgebouw dat ooit een klooster was afstond.

Er kwam een kindervakantiekolonie in. Ik zei het al, goeie lucht. En het bleef een kindervakantiekolonie tot de mode van kindervakantiekolonies voorbij was. De jaren vijftig van de vorige eeuw.

In de jaren zeventig, kort na de anjerrevolutie, was de kolonie nog een poos in gebruik als opvangoord voor vluchtelingen uit Afrika. De laatste stuiptrekkingen van de dictatuur. De kinderbedden en het kinderbehang en de kinderversieringen bleven.

Jaren achtereen zwierf ik op zondag, als de werkers de landerijen met rust lieten en de nieuwsgierige vrouwen in de kerk zaten, door het gebouw. Vergeefs ging de hofhond tekeer. Ik hoefde met mijn pink maar een sponning weg te duwen of ik kon naar binnen stappen. Ik leerde de weg kennen in het labyrint van kamers en gangen. Het werd een plek om je door schimmen de rillingen te laten bezorgen of om zelf verdwaalde katten en honden de stuipen op het lijf te jagen.

Daar kwam een einde aan toen de stichting Bissaia Barreto, tevens eigenaar van het miniatuurpark in Coimbra waar kleuters op schoolreis zich kunnen vergapen aan onbeholpen replica’s van monumenten uit het nationale verleden, besloot de ruïne met een indrukwekkende subsidie van de Europese Unie om te toveren tot melkkoe. Tot het klooster dat het had kunnen zijn.

De marmeren heiligen en de houten Maria’s in het Grote Hotel dat daarvoor een ruïne was en daarvoor een kindervakantiekolonie en daarvoor een regeringsgebouw en daarvoor een klooster zetten een gezicht op of ze nooit zijn weggeweest.