‘Ik kan hier gewoon niet weg’

In Zuid-Libanon zijn de meeste dorpen kapot en zo goed als verlaten na de wekenlange Israëlische bombardementen. Er hangt een vreemde stilte, het lijkt net een zwijgende film.

QANA, 2 aug. - „Wat wil je precies gaan bekijken, het nieuwe of het oude bloedbad van Qana?” De oude man heeft een verdwaasde blik. Hij staat bij de voordeur van zijn huis in het centrum van het Zuid-Libanese dorp Qana. „Nee, het is hier niet veilig nu. Het moorden zal straks opnieuw beginnen, maar ik kan hier gewoon niet weggaan.” Afgezien van enkele bejaarden zijn er verder alleen uitgehongerde honden op straat.

Het regent al meer dan twee weken Israëlische bommen op de dorpen in Zuid-Libanon. De meeste huizen zijn verlaten, de metalen rolluiken staan bol van de kracht van de explosies. Langs de weg die door het glooiende landschap van de zuidelijke havenstad Tyrus naar Qana leidt, wordt duidelijk dat wie zich buitenshuis begeeft zijn leven op het spel zet: je moet om honderden bomkraters heen met soms wel een diameter van tien meter. Erin liggen de verkoolde wrakken van personenwagens of motorfietsen.

Grote delen van Qana zijn bij de Israëlische luchtaanvallen in de afgelopen drie weken in puin veranderd. In Qana zie je, net als in al de dorpen in de Libanese heuvels ten oosten van Tyrus, bergen verwrongen staal en beton, gapende kraters en zwartgeblakerde huiskamers.

Het centrum van Hanawey, op twee kilometer van Qana, lijkt wel door een aardbeving getroffen. Geen muur staat nog overeind.

In 1996 kwamen hier in Qana meer dan honderd Libanese burgers om tijdens een grootschalig Israëlisch vergeldingsoffensief tegen Hezbollah – operatie ‘Druiven der gramschap’ – toen de basis van de VN-troepen waar zij een veilig heenkomen hadden gezocht onder vuur kwam te liggen. Dat bloedige incident in Qana leidde destijds snel tot een staakt-het-vuren.

Maar nu liggen de kaarten anders. Na het jongste bloedbad in Qana is een onmiddellijk staakt-het-vuren allerminst vanzelfsprekend. De dood van meer dan zestig burgers, leden van twee families die met vrouwen en kinderen schuilden in de kelder van een gebouw op een helling aan de rand van het dorp, heeft opnieuw voor een storm van verontwaardiging gezorgd, maar het maakt voorlopig geen einde aan deze crisis. Nu werd maandagochtend alleen een heel beperkt Israëlisch staakt-het-vuren afgekondigd: gedurende 48 uur werden geen systematische luchtaanvallen uitgevoerd; wel zou uit de lucht worden gereageerd op bedreigingen van de zijde van Hezbollah.

Maar de klok tikt. De spanning is in heel Libanon merkbaar. De zuidelijke hoofdstad Sidon en Tyrus, verder naar het zuiden, zijn spooksteden geworden. Er hangt een bevreemdende stilte en de straten zijn verlaten. Het lijkt of je in een zwijgende oorlogsfilm zit.

Af en toe rijdt een ziekenwagen met rood zwaailicht in ijltempo voorbij: zwaargewonden worden nog snel uit het zuiden geëvacueerd. Ook families die tot nog toe in hun woonplaatsen in het zuiden waren gebleven, maken van deze kans om te vluchten gebruik.

Vervolg Libanon: pagina 5

LIBANON

Haj Ali wil liever thuis sterven

Vervolg van pagina 1

Voor velen onder hen was daar geen denken aan toen de Israëlische luchtmacht tot maandagochtend vroeg nog volop opereerde: op de weg loerde de dood. Nu de Israëlische regering tot uitbreiding van het grondoffensief heeft besloten, mogelijk tot aan de rivier de Litani, ruim dertig kilometer noordwaarts in de richting van Beiroet, nemen veel gezinnen uit het zuiden alsnog de benen. De Libanese families zijn in tijden van crisis traditioneel aan hun radio en tv gekluisterd; nu houden ze de adem in.

Het is acht uur in de avond en naarmate de duisternis valt hoor je opnieuw het gebrom van onbemande Israëlische verkenningsvliegtuigen, en in de verte het gedonder van voorbijvliegende F-16-jets. Haj Ali al-Sadr is 76. Hij kijkt gespannen naar de tv-beelden. Dankzij een kleine generator heeft hij nog elektriciteit. Hij is alleen in zijn huis. Zijn vrouw en vier dochters zijn naar Sidon gevlucht. „Mijn dochters smeekten me met hen mee te komen”, zucht Haj Ali. Maar dit is alles wat hij heeft: zijn huis, een boerderij en twee wagens. Hij zou liever hier sterven.

Aan de muren van de woonkamer prijken de familiefoto’s: van zijn huwelijk, een trotse dochter die afstudeert – zijn leven in kiekjes. Vijftig jaar lang heeft hij in Sierra Leone geleefd en gewerkt. „Ik heb heel mijn leven voor dit alles gewerkt en gespaard en eind jaren negentig zijn we naar Libanon teruggekeerd. En nu begint de oorlog hier opnieuw.” Hij is niet bang. „Allah zal me beschermen!”

Zijn boerderij is bij de bombardementen volledig vernield. „Waarom, wat heb ik gedaan? We hebben niets met Hezbollah te maken. Ik ben tegen het doden van mensen, en veroordeel al het geweld, ook van de kant van Hezbollah”, zweert Al-Sadr. „Wat zij tegen Israël deden bij het begin van deze tragedie was maar een beperkte operatie die de Israëliërs gretig hebben aangegrepen om ons land kapot te maken. Het is een schande. Dit is allemaal de schuld van de Amerikanen. Het is hun plan. Zij willen ons hun wil opleggen. Wij kunnen niets tegen hen. Zij zijn de meesters van deze wereld. Kijk maar, zelfs de Europeanen moeten hun hielen likken.”

Buiten hoor je nu duidelijk dat de Israëlische luchtmacht opnieuw op gang komt. Het is donker. De Hezbollah-radio Al-Noor (het licht) speelt tussen de berichten over nieuwe vijandelijkheden continu militante muziek: Wa’ed al-Sadeq (Een plechtige belofte) heet een strijdbaar klinkend lied. Het is een verwijzing naar een toespraak van Hezbollahleider Hassan Nasrallah die sinds de Israëlische terugtrekking uit het zuiden in 2000 stellig belooft zoveel mogelijk Israëlische militairen te zullen grijpen om de vele Libanese gevangenen in Israël vrij te krijgen.

Plots licht de nachtelijke hemel boven Qana op. Lichtpatronen schieten de lucht in. Een laagvliegende Israëlische F-16 vuurt projectielen af om een aanval met luchtdoelraketten af te leiden. Het driehoekige silhouet van het toestel is korte tijd heel duidelijk zichtbaar. Voor Haj Ali en alle burgers die nu nog in het zuiden achterblijven is de nachtmerrie weer begonnen.