Het is niet het Westen tegen de islam

In de strijd tegen het mondiale extremisme gaat het om waarden. Dit gevecht kan daarom niet worden gewonnen door militaire macht alleen. We moeten ook aantonen dat onze waarden beter en rechtvaardiger zijn dan het alternatief, betoogt Tony Blair.

Om de mensen die ons bedreigen te verslaan, moeten wij onze strategie volledig herzien. Over heel het Midden-Oosten strekt zich thans een boog van extremisme uit, die steeds scherper ook landen ver buiten die regio raakt. Om hem te verslaan is een bondgenootschap van gematigden nodig dat een ander toekomstbeeld huldigt, waarin moslim, jood en christen, Arabier en westerling, rijke landen en ontwikkelingslanden in vrede en harmonie met elkaar vooruitgang kunnen boeken. Wat ik u vandaag voorhoud is dit: wij kunnen de slag tegen dit wereldwijde extremisme alleen winnen als wij evenzeer opereren op het niveau van waarden als op dat van kracht, als wij laten zien dat wij die waarden onpartijdig, eerlijk en rechtvaardig toepassen op de wereld.

Het zit zo: dit is een oorlog, maar een geheel andere dan alle voorgaande oorlogen.

9/11 in de Verenigde Staten, 7/7 in het Verenigd Koninkrijk, 11/3 in Madrid, de talloze terroristische aanslagen in zo uiteenlopende landen als Indonesië en Algerije, wat thans gebeurt in Afghanistan en Indonesië, het voortdurende conflict in Libanon en Palestina – het maakt allemaal deel uit van één geheel. Welke waarden beheersen de toekomst van de wereld? Zijn het de waarden van verdraagzaamheid, vrijheid, respect voor verschillen en verscheidenheid, of die van reactie, verdeeldheid en haat? Ik stel dat deze oorlog niet langs conventionele weg kan worden gewonnen. Hij kan alleen worden gewonnen door te laten zien dat onze waarden sterker, beter en rechtvaardiger zijn, en eerlijker dan het alternatief. Daartoe moeten wij de koers van ons beleid echter ingrijpend herzien.

Als wij onze strategie niet heroverwegen, de bredere mondiale agenda op het gebied van armoede, klimaatverandering en handel geen nieuw leven inblazen, en met betrekking tot het Midden-Oosten ons niet tot de laatste vezel inspannen om vrede tot stand te brengen tussen Israël en Palestina, dan zullen wij niet winnen. En dit is een strijd die wij móéten winnen.

Wat thans plaatsvindt in het Midden-Oosten, in Afghanistan en elders is een oerstrijd over de waarden die onze toekomst zullen bepalen.

Ten dele is het een strijd tussen wat ik de reactionaire islam en de gematigde, doorsnee islam zal noemen. Maar de vertakkingen reiken veel verder. Wij voeren niet alleen een oorlog tegen het terrorisme, maar ook over de vraag hoe de wereld zich in de vroege eenentwintigste eeuw moet besturen, over mondiale waarden.

De wezenlijke oorzaken van de huidige crisis spreken in dit verband boekdelen. Sinds 11 september hebben de Verenigde Staten, om hun en onze toekomstige veiligheid te verzekeren, gekozen voor een beleid van interventie. Vandaar Irak. Vandaar het initiatief in het Midden-Oosten in ruimere zin ter ondersteuning van democratische ontwikkelingen in de Arabische wereld.

Waar het bij deze interventies – hetzij militair of anderszins – om gaat is echter niet alleen verandering van regime, maar ook verandering van de waardestelsels die in de desbetreffende landen de dienst uitmaken. Het parool was feitelijk niet ‘regimewisseling’ maar ‘waardewisseling’.

Wat wij met deze interventie hebben gedaan is dan ook van veel groter gewicht dan wij op dit moment zelf wellicht beseften. Ik sta nog altijd verbaasd hoeveel mensen volhouden dat het terrorisme is toegenomen doordat wij Afghanistan en Irak zijn binnengevallen. Zij lijken volkomen over het hoofd te zien dat het is begonnen met 11 september. Het Westen heeft deze beweging niet aangevallen. Wíj zijn aangevallen. Tot dan toe hadden wij daaraan nauwelijks aandacht geschonken.

De reden waarom ik zeg dat onze reactie nog gewichtiger was dan ze toen leek, is deze. Wij hadden ervoor kunnen kiezen de veiligheid tot inzet van de strijd te maken. Maar dat hebben wij niet gedaan. Wij kozen voor waarden. Wij zeiden dat wij niet nóg een Talibaan wilden, niet nóg een Saddam. Naar mijn mening beseften wij terecht dat je een fanatieke ideologie niet kunt verslaan alleen door haar leiders gevangen te nemen of te doden; je moet haar ideeën verslaan.

En zijn boeken volgeschreven over de fouten die zijn gemaakt in Irak of Afghanistan – merendeels wijsheid achteraf, maar soms ook terecht. Maar al die analyses slaan op een essentieel punt de plank mis. Zodra wij besloten om niet het regime omver te werpen, maar het waardestelsel, werd daardoor zowel Irak als Afghanistan tot een slagveld waar het bestaan van de reactionaire islam op het spel stond. Wij vormden niet alleen een gevaar voor hun activiteiten, nee, wij bedreigden hun waarden, de wortels van hun bestaan.

Wij zetten ons in voor steun aan de gematigde, doorsnee islam. In welhaast pure vorm werd de strijd in Irak of Afghanistan de strijd tussen de meerderheid van de moslims in die twee landen, die democratie wenste, en de minderheid, die besefte dat hiermee de doodsklok luidde voor hun ideologie.

Meer nog: wij hebben hiermee de definitie van de reactionaire islam verruimd. Het is niet alleen maar Al-Qaeda die zich bedreigd voelde door het vooruitzicht dat twee meedogenloze dictaturen – de ene seculier, de andere religieus – ruimdenkende democratieën zouden worden. Alle andere landen die wel konden begrijpen dat veranderingen in die landen zouden leiden tot veranderingen bij hen, voelden zich onmiddellijk óók bedreigd – Syrië en Iran bijvoorbeeld. Het doet er niet toe dat velen die zich nu bedreigd voelden elkaar vroeger, in wat werkelijk een ander politiek tijdperk was, hadden gehaat. Onder druk van het nieuwe gevaar kwamen ineens nieuwe allianties tot stand.

Er bleef echter één zaak die in heel de wereld de islam verenigt, één kwestie die zelfs de meest verwesterde moslims onrechtvaardig vinden en – misschien nog erger – vernederend: Palestina. Daar werd een gematigde leiding in het nauw gedreven tussen haar eigen onvermogen om de radicale elementen in de hand te houden, en de politieke stagnatie van het vredesproces. Toen premier Sharon de dappere stap deed om zich uit Gaza terug te trekken, had dat de gelegenheid kunnen en moeten zijn om het proces weer op gang te brengen. Maar de druk was te groot, en omdat deze processen nooit stilstaan, werd geen vooruitgang geboekt, maar een terugval. Hamas won de verkiezingen. Zelfs toen had de situatie nog kunnen worden gered, als gematigde elementen in Hamas maar vooruitgang hadden kunnen realiseren. Maar dat konden zij niet.

En dus kreeg de reactionaire islam de kans, en die nam hij waar: eerst in Gaza, vervolgens in Libanon. Zij wisten wat er zou gebeuren. Hun terrorisme zou een grootscheepse vergelding door Israël uitlokken. Binnen enkele dagen zou de wereld de oorspronkelijke provocatie vergeten en geschokt zijn door de vergelding. Zij wilden de gematigden klem zetten tussen steun aan Amerika en de gewone Arabische man die ziedend is over wat hij iedere avond op de televisie ziet. Dat is wat er is gebeurd.

Essentieel voor hen is dat de strijd in hún termen wordt gedefinieerd: de islam tegen het Westen. In plaats van dat de moslims dit zien als een strijd van democratie tegen dictatuur, zien zij alleen maar de bommen en de wreedheden van de oorlog – afkomstig van Israël. Op die manier hopen zij dat de boog van extremisme die zich nu over de regio uitstrekt, het prille, aarzelende begin van de moderne islam naar de toekomst zal wegvagen.

Tegelijkertijd – en in sommige opzichten buitengewoon funest – kijkt een groot en naar ik vrees groeiend deel van onze publieke opinie naar Israël, denkt dat de prijs die wij voor steun aan Israël betalen te hoog is, en sympathiseert met de islamitische publieke opinie die het Israëlische optreden veroordeelt. In een groot deel van de berichtgeving hierover ontbreekt ieder begrip voor Israëls hachelijke situatie. Maar het gaat hierom. Uiteindelijk is zelfs de kwestie-Israël een element in dezelfde bredere worsteling om de ziel van de regio. Als wij de ware aard van die worsteling zouden onderkennen, hebben wij tenminste de eerste stappen gezet naar de overwinning. Maar zo ver is een groot deel van de westerse publieke opinie nog lang niet.

Op de korte termijn kunnen wij dus niet zeggen dat wij aan de winnende hand zijn. Op de langere termijn zijn er echter tal van redenen voor optimisme. In heel het Midden-Oosten is niet alleen een proces van reactie gaande, maar ook een proces van modernisering. Het wordt niet opgemerkt, maar het ís er: in de Verenigde Arabische Emiraten, in Bahrein, in Koeweit, in Qatar. In Egypte heerst verschil van mening over de snelheid van de veranderingen, maar niet over de richting. In Libië en Algerije zien wij zowel toenemende stabiliteit als een geleidelijk maar significant groeiende openheid.

Bovenal is er één onomstotelijke waarheid die ons hoop moet schenken. In Irak, in Afghanistan en uiteraard in Libanon grijpen de mensen iedere kans aan die zij krijgen om de democratie te verwelkomen. De leugen – dat democratie, rechtsstaat en mensenrechten westerse concepten zouden zijn, onverenigbaar met de islam – is ontmaskerd. In zo uiteenlopende landen als Turkije en Indonesië wint de gematigde islam aan kracht op een manier die ons zeer zou moeten bemoedigen. De strijd is dus vrijwel in evenwicht. De vraag is: hoe stellen wij de gematigden in staat de extremisten te verslaan?

Om te beginnen moeten wij uiteraard hechte bondgenootschappen ondersteunen, koesteren en opbouwen met iedereen in het Midden-Oosten die de weg van de modernisering volgt. Ten tweede moeten wij, zoals president Bush vrijdag zei, het vredesproces in het Midden-Oosten tussen Israël en Palestina nieuw leven inblazen; en we moeten dat op een spectaculaire, ingrijpende manier doen. Ten derde moeten wij Irak door zijn crisis loodsen naar waar het Iraakse volk heen wil: een niet-sektarisch, democratisch land. De strijd van de Irakezen en de Afghanen voor democratie is onze strijd. Dezelfde waarden. Dezelfde vijand. Een overwinning voor hen is een overwinning voor ons allemaal. Ten vierde moeten wij Syrië en Iran duidelijk maken dat zij de keus hebben: of zij treden toe tot de internationale gemeenschap en houden zich aan dezelfde regels als wij allemaal; of zij vinden een tegenstander voor zich. Hun steun aan het terrorisme, hun welbewuste export van instabiliteit, hun wens om de democratische vooruitzichten in Irak te zien mislukken, zijn door niets te rechtvaardigen, gevaarlijk en fout. Als zij de inzet blijven verhogen, zullen zij merken dat ze zich verrekend hebben.

Uit het voorgaande is duidelijk dat wij van nu af aan een integrale strategie voor het Midden-Oosten moeten hanteren. Tegenover de boog van extremisme moeten wij een gelijkwaardige boog van gematigdheid en verzoening plaatsen. Alle elementen hangen met elkaar samen. Vooruitgang tussen Israël en Palestina heeft gevolgen voor Irak. Vooruitgang in Irak heeft gevolgen voor de democratie in de regio. Vooruitgang voor de gematigde, doorsnee islam waar dan ook dringt de reactionaire islam overal in het defensief. Maar niets daarvan zal gebeuren tenzij in alle afzonderlijke delen de vereiste energie en toewijding niet bij vlagen worden betoond, maar continu.

Dit wereldwijde islamitische terrorisme is begonnen in het Midden-Oosten. Breng het Midden-Oosten op orde, dan zal dat terrorisme onverbiddelijk aan kracht verliezen. De boodschap wordt bijvoorbeeld van de regio razendsnel doorgegeven aan de islamitische gemeenschappen in Europa. Er is nog een minder in het oog lopende wijze waarop de afloop bepalend is voor het welslagen van onze bredere visie op de wereld. Voor mij betekent een overwinning voor de gematigden een open islam: open voor globalisatie, open voor samenwerking met mensen van een ander geloof, open voor bondgenootschappen met andere landen.

In die zin maakt deze strijd deel uit van een veel breder debat. Links en rechts zijn in de politiek nog wel van belang, maar de scheidslijn loopt thans steeds meer tussen open en gesloten. Wat is het antwoord op globalisatie: protectionisme of vrijhandel? Wat is het antwoord op de druk van massamigratie: beheerste immigratie of gesloten grenzen? Wat is het antwoord op wereldwijde gevaren voor de veiligheid: isolationisme of samenwerking?

Dat zijn voor de VS en voor Europa vragen van groot gewicht. Het gevaar bestaat dat de wereld na de Koude Oorlog terugvalt in een mondiale politiek op basis van invloedssferen. Denk vooruit. Denk aan China, dat over twintig of dertig jaar ongetwijfeld de andere supermogendheid van de wereld zal zijn. Denk aan Rusland en zijn kostbare energiereserves. Denk aan India. Ik ben ervan overtuigd dat al deze grote mogendheden in opkomst een goedaardige relatie met het Westen wensen. Maar ik ben er ook van overtuigd dat hoe krachtiger en aantrekkelijker onze kijk op de wereld is, hoe duidelijker zij niet gebaseerd is op kracht maar op gerechtigheid, des te gemakkelijker zullen wij de toekomst gestalte kunnen geven waarin Europa en de VS niet meer in economische of politieke zin superieur zullen zijn. Lang voor het zover is willen wij de gematigde, doorsnee islam zien triomferen over de reactionaire islam.

Daarom zeg ik dat deze strijd draait om waarden. Onze waarden zijn een strijd waard. Zij staan voor de vooruitgang van de mensheid door de eeuwen heen, en telkens weer hebben wij ervoor moeten strijden en ze moeten verdedigen. Nu de nieuwe tijd wenkt, is het moment gekomen om er opnieuw voor te strijden.

Tony Blair is premier van Groot-Brittannië. Dit artikel is de ingekorte tekst van de toespraak die hij gisteren in Los Angeles hield voor de World Affairs Council.

De volledige tekst van Blair is na te lezen op www.nrc.nl/opinie