‘Het is mij hier soms nog te lawaaiig’

Nederland verandert snel. Het landschap, de bevolking, de normen. Toch zijn er plekken waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Zoals in het klooster van de karmelieten in Zenderen.

Het is de stilte die de bezoeker van het karmelietenklooster in Zenderen overvalt. Op de stoep van het gebouw is het verkeersgeluid van de weg tussen Borne en Almelo nog te horen, binnen niet meer. In de hoge lange gangen, met religieuze kunst en glas-in-lood, dringt alleen zacht gezang uit de naastgelegen kerk door. De lege binnenplaats verbeeldt het ‘lege midden’ waar ruimte ontstaat voor God.

Het is deze stilte die in het klooster al 150 jaar gekoesterd wordt. Pater Gerard Schiphorst, een van de twintig bewoners kan zich urenlang op zijn kamer terugtrekken, om te bidden, lezen of muziek te componeren. „Het is mij hier soms nog te lawaaiig.”

Gebed en bezinning, een eenvoudige levensstijl en een hecht gemeenschapsleven zijn centrale waarden van de karmelietenorde, waartoe het klooster in Zenderen behoort. De katholieke orde vindt haar oorsprong in een groep monniken die rond 1200 woonde in het Karmelgebergte, dichtbij Haïfa in het huidige Israël. In Nederland wonen ruim honderd karmelieten. Ze zijn ongehuwd, delen hun bezittingen en stellen hun talenten ten dienste van de gemeenschap: het onderwijs, pastoraat of de missie. Eén van de bekendste is pater Titus Brandsma, die zich openlijk verzette tegen het nazi-regime en in 1942 in het concentratiekamp Dachau overleed.

Het klooster in Zenderen is tevens een verzorgingshuis, maar de paters zien de aanwezigheid van verzorgend personeel als een bijkomstigheid. „Dit is voor mij in de eerste plaats een klooster”, zegt pater Schiphorst. „Een oase van rust in de jachtige wereld.”

Het complex aan de rand van het dorp bestaat uit het kloostergebouw met kerk, enkele bijgebouwen, een tuin die overloopt in een klein bos en een begraafplaats met identieke, sobere witte kruizen. Vorig jaar zijn vijf karmelieten begraven, een signaal dat het klooster vergrijst, maar tot verontrusting leidt dit niet. Er zijn in de geschiedenis van de karmel wel meer neergaande bewegingen geweest. „Religie en het gevoel voor het mystieke zal altijd blijven”, zegt de overste van het klooster, prior Johan Strijtveen.

De kloosterlingen zijn vrijwel continu met geloof en spiritualiteit bezig, waarbij men op verschillende momenten van de dag samenkomt. „Je kunt soloreligieus zijn, maar je wilt er met elkaar over praten”, zegt pater Johan Leusink. „Ik zou niet alleen willen wonen, hier leef je vanuit een gezamenlijke spiritualiteit”, vindt pater Huub Bos.

De vorm van het gemeenschapsleven is in de loop der jaren wel veranderd. Met name na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) zijn enkele leefregels versoepeld. Tijdens het koorgebed wordt niet meer uit het brevier gebeden omdat niet alle broeders het Latijn machtig zijn. Bij het eten mag er gepraat worden en zijn de zitplaatsen niet meer hiërarchisch bepaald. En dat er tegenwoordig vrouwelijk personeel op de kamers van de paters komt, was zestig jaar geleden een „doodzonde” maar nu normaal, zegt pater Leusink. De grenzen tussen het leven binnen en buiten het klooster zijn niet zo scherp, vindt hij. „Het enige wat ons onderscheidt van de geseculariseerde samenleving is dat wij continu met het geloof bezig zijn. Wij ‘doen nog aan God’”.

Voor sommige bewoners die hechten aan tradities, is de toegenomen openheid een kwestie van wennen. Zij trekken zich terug op hun kamer om met het brevier te bidden, of hebben er moeite mee dat bezoekers tegenwoordig verder mogen komen dan de wachtkamer. „We moeten oppassen dat we onze eigenheid niet kwijt raken”, beseft pater Strijtveen. Als hij de verzorgsters hun zin geeft, komen er planten en bloemen in de gangen te staan, maar dat kan niet de bedoeling zijn. „Het moet geen huiskamer worden.”

De prior constateert een stijgende belangstelling bij leken voor het kloosterleven. „Ondanks alle luxe zijn veel mensen niet gelukkig. Ze jakkeren door het leven en komen dan op enig moment tot de conclusie dat er meer moet zijn. ‘Ik wil ook uit die bron drinken’ zeggen ze dan.” Om in die behoefte te kunnen voorzien, zijn er plannen om achter het klooster een gastenverblijf te bouwen.

Dit is het derde deel van een serie. Eerdere afleveringen zijn te lezen op www.nrc.nl