Getuige van een afbraak

Zo’n ontwikkeling begint altijd sluipend. De eersten die het zien en hun waarnemingen wereldkundig maken, worden met boze kritiek tot zwijgen gebracht of weggelachen. Maar dit proces gaat verder. Meer en meer mensen komen tot de mening dat ‘er wel iets inzit’, en dan is het zo ver: wat in het begin nauwelijks kon worden gezegd, is tot een van de belangrijkste punten van de algemene discussie geworden.

Zo gaat het nu met de opvatting dat Amerika als hypermacht en bewaarder van de wereldorde zijn beste tijd heeft gehad. Timothy Garton Ash schreef dat we nog weleens heimwee zullen krijgen naar de tijd dat de Amerikanen de wereldorde in stand hielden (Opiniepagina, 22 juli). ‘Amerikaanse wereldorde is failliet’, stelde Ingo Piepers gisteren op deze pagina vast. De heren bevinden zich in een groeiend gezelschap van politicologen en andere deskundigen, ook in Amerika.

Nieuw is het niet. De eerste keer dat men in bredere kring geloofde dat de ondergang dreigde, was toen senator Joseph McCarthy het overheidsapparaat en de regering geïnfiltreerd zag door de communisten. Daarmee veroorzaakte hij vooral een binnenlandse crisis. Ten slotte ging McCarthy zelf eraan ten onder. De volgende vlaag van pessimisme kwam toen in 1957 de Sovjet-Unie de eerste kunstmaan, de Spoetnik lanceerde. We kunnen ons het nu niet meer voorstellen, maar commentatoren met vooruitziende blik zagen de ondergang van het hele Westen naderen.

Toen kwam de ramp van Vietnam, maar dat was een Amerikaanse nederlaag die de rest van het westelijk bondgenootschap niet werkelijk raakte. Daarna de gijzeling van de Amerikaanse ambassade in Teheran met de mislukte poging tot bevrijding onder het presidentschap van Jimmy Carter. Daaraan heeft Ronald Reagan in hoge mate zijn overwinning te danken. ‘Its morning again in America’. De Koude Oorlog werd gewonnen en daarmee was opnieuw een periode van rotsvast zelfvertrouwen aangebroken.

President George Bush sr. nam na Saddam Husseins aanval op Koeweit ruim de tijd om een grote coalitie te vormen, waarmee de annexatie ongedaan werd gemaakt. Verder ging hij niet. Daarna hebben diepe binnenlandse conflicten om president Clinton geen invloed op diens buitenlandse politiek gehad. In het Midden-Oosten werd de wankele vrede met krachtige Amerikaanse medewerking, de pendeldiplomatie bewaard. „This benign nation”, zei minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright, nadat Amerika zich met de Joegoslavische crisis was gaan bemoeien. Aan het einde van Clintons bewind werd in Joegoslavië de eerste ‘humanitaire oorlog’ in de geschiedenis gevoerd. En hoeveel moeite dat soms ook heeft gekost, het Atlantisch bondgenootschap bleef bewaard, Amerika bleef de onbetwiste leider van het Westen. De wereldmacht groeide technisch en economisch tot ongekende omvang, maar bewaarde de bondgenootschappen.

De eerste die het nieuwe gevaar heeft gezien is, bij mijn weten, de in Amerika wonende Britse historicus Paul Kennedy. In zijn boek The Rise and Fall of the Great Powers (1987) verklaart hij de neergang van wereldmachten uit wat hij noemt de ‘imperial overstretch’. De politieke arm wil verder reiken dan de macht toestaat. Zo is het in de loop van de geschiedenis de Spanjaarden, de Hollanders, de Fransen en de Britten vergaan. Amerika moest voorzichtig zijn. Maar Kennedy had te vroeg geoordeeld. Het sovjetrijk had zichzelf nog niet betrekkelijk geruisloos opgeheven. Hij vreesde vooral een overstretch door de verplichtingen die de Koude Oorlog met zich meebracht.

President George W.Bush jr. is aangetreden terwijl in het Westen het decennium van ongekende welvaart, economische groei en zorgeloosheid op zijn eind liep. In zijn buitenlandse politiek wilde hij ieder risico van overstretch vermijden, en zich beperken tot datgene wat onmiddellijk het nationaal belang diende. Vandaar dat Amerika zich terugtrok uit het milieuverdrag van Kyoto, zich onttrok aan de verplichtingen van het Internationaal Strafhof. Toen kwam de aanval van 9/11. Het land werd in de internationale politiek teruggesleurd.

De oorlog in Afghanistan leek goed af te lopen, maar Bush vergiste zich. Intussen was de oorlog in Irak begonnen. Die leek eerst ook goed af te lopen, maar de president had zich opnieuw vergist. De zorg voor het Israëlisch-Palestijnse conflict liet hij aan Ariel Sharon over. Dat was de derde keer. Hij geloofde met een politiek van dreigen Iran ervan te kunnen weerhouden aan een kernwapen te werken. Dat is vermoedelijk de vierde vergissing. Daarbij komen de meningsverschillen met de ‘internationale gemeenschap’ over de behandeling van krijgsgevangenen, enz. Dit alles is in de loop der jaren breed uitgemeten. Het belangrijkste is dat al deze vergissingen een cumulatief effect hebben. Het Amerika van Bush bevindt zich nu feitelijk in een situatie van beginnende overstretch, is als wereldmacht relatief in neergang en heeft zijn moreel gezag zien afbrokkelen.

Zo’n ontwikkeling krijgt pas politieke betekenis als het wereldpubliek er langzamerhand van op de hoogte raakt. Dit is de fase waarvan we nu getuige zijn. Zichtbaar weet Washington zich geen raad meer met het grote historische proces, de dekolonisatie van het Midden-Oosten, de baaierd van feodale en proletarische belangen, godsdiensttwisten, burgeroorlogen, nationalisme, fundamentalisme, islamofascisme. Dat wij, het Westen in zijn geheel, Israël daaruit moeten redden, staat voor mij als een paal boven water. Maar onder leiding van president Bush hebben ‘wij’ de regie verloren vóór het verantwoord was die uit handen te geven. We beleven hier de geboorteweeën van de democratie, zei minister Rice. Ik denk dat dit het volgende levenloze wanproduct van het neoconservatieve denken is.