Altijd een raadsel

In Superman Returns speelt acteur Kevin Spacey de snoodaard Lex Luthor.

Zoals altijd slaagt hij erin die weer het middelpunt van het universum te maken.

Het hoort eigenlijk niet. Als slechterik de show stelen van de superheld. Zeker niet als die superheld Superman is, in het langverwachte Superman Returns van Bryan - X-Men - Singer. Maar hij doet het toch, Kevin Spacey, omdat hij dat simpelweg met al zijn personages doet, er het middelpunt van het universum van maken. Hij is als acteur nu eenmaal grenzeloos ijdel en ambitieus. Maar hij is vooral zo koelbloedig goed dat hij je met een wimperknip kan laten geloven dat de film waarnaar je zit te kijken eigenlijk helemaal niet draait om een stripheld met Messiaanse trekjes, maar om zijn tegenstrever Lex Luthor, een snoodaard met een midlife crisis met wie je bijna medelijden zou gaan krijgen als hij niet intussen allerlei boze plannen zat te beramen.

De filmografie van Kevin Spacey (geboren als Kevin Matthew Fowler op 26 juli 1959 in South Orange, New Jersey) omvat (anti-)helden en schurken, helden die schurken worden en andersom. En niet dat alleen. De sleutelwoorden zijn ongrijpbaarheid en meerduidigheid. De seriemoordenaar uit Se7en (David Fincher, 1995) is niet alleen maar arrogant, maar ook serviel en kruiperig. De manke mompelaar Verbal Kint uit The Usual Suspects (Bryan Singer, 1995) ontpopt zich aan het einde van de film als meestermisdadigersbrein Keyser Soze. De corrupte politieman in L.A. Confidential (1997) krijgt een geweten. De aimabele kunstverzamelaar uit Clint Eastwoods Midnight in the Garden of Good and Evil (1998) blijkt een koelbloedige killer. De gijzelingsonderhandelaar in The Negotiator (1998) wordt een onberekenbare factor voor politie en FBI.

Zijn misschien wel grootste rol in American Beauty (1999) is niet alleen maar een meelijwekkend ingeslapen burgermannetje, maar ook een Boeddha-in-de-maak. De buitenaardse bezoeker in K-Pax (2001) is misschien wel een goedmoedige gek. De ter dood veroordeelde mensenrechtenactivist in The Life of David Gale (Alan Parker, 2003) speelt een gevaarlijk spelletje met schuld en onschuld. Langzamerhand begint zich een systeem in Spacey’s rolkeuze af te tekenen. Hij maakt er een kunst van om al zijn rollen raadsels te laten zijn. Niets is wat het lijkt. Net zo’n groot mysterie als zijn privé-leven overigens.

„Hoe minder het publiek van mij weet, hoe beter ik mijn werk kan doen’’, zei hij ooit tegen talkshowhost Larry King, een uitspraak die hij sindsdien in verschillende formuleringen heeft herhaald. „Als je als acteur je publiek in twee uur tijd moet laten geloven dat je iemand anders bent, dan kan hun beeld van wie je privé zou zijn dat maar beter niet teveel in de weg zitten’’, voegde hij daar bij andere gelegenheden aan toe. En over de nog steeds hardnekkige geruchten over zijn homoseksualiteit: ,,Voor veel vrouwen is dat een uitdaging. Zij willen degene zijn die me ‘bekeert’. Ik laat ze.’’

Je ziet Kevin Spacey niet zoals Robert de Niro zweten onder het gewicht van een rol (al werd zijn opgepompte torso in Oscar-winnaar American Beauty uit 1999 wel met diens krachtinspanning voor Raging Bull vergeleken). Ook lijdt hij niet zoals Al Pacino onder de psychologische identificatie met een personage. Hij hoeft niet zoals Tom Cruise vierentwintig gekke bekken per seconde te trekken of zich zoals Samuel L. Jackson elke keer een ander kapsel aan te meten.

Om te omschrijven wat hij wél doet, moet je lang in die ondoorgrondelijke ogen kijken, die soms in een haast onmerkbaar lachje glinsteren als git, vaker koud en ondoordringbaar zijn als die van een slang, hun blik op een tafereeltje buiten het beeld gericht dat alleen zij zien. Of je moet luisteren naar dat lijzige stemgeluid, dat hem laat murmelen, fulmineren en zingen tegelijk. Het gaat hem om de melodie en niet om de boodschap en als de toonzetting goed is, vergeet je wat hij zegt en kan hij je alles op de mouw spelden.

Beter dan in Midnight in the Garden of Good and Evil heeft hij zijn geheim tot nu toe nog niet samengevat. Met dat slome, plat-bekakte zuidelijke accent, waarin hij zo mooi semi-ongeïnteresseerd ‘hm-hm’ kan zeggen:

,,Truth, like art, is in the eye of the beholder. You believe what you choose and I believe what I know.’’