Zuid-Amerika heeft eigen Bosman-zaak

Het wordt wel de ‘zaak-Bosman’ van Zuid-Amerika genoemd. Een Zuid-Amerikaanse voetballer wiens contract afloopt is vrij om naar een andere club te vertrekken, ook al heeft zijn vorige club nog een eenzijdige optie tot verlenging van zijn contract.

Dat blijkt uit een recente uitspraak over twee Uruguayaanse voetballers door het Court of Arbitration for Sports (CAS) in Lausanne, het hoogste orgaan voor sportarbitragezaken. De strekking van de uitspraak is dat een eenzijdig besluit van een club om het contract van een voetballer te verlengen in strijd is met de reglementen van de wereldvoetbalbond FIFA.

Ook in Nederland nemen clubs in spelerscontracten regelmatig een eenzijdige optie tot verlenging van dat contract op. Dat gebeurt vaak bij jonge spelers van wie clubs niet weten hoe zij zich zullen ontwikkelen, en spelers met veel blessures. Als ze niet voldoen aan de verwachtingen wordt de optie niet gelicht.

De zaak in Zuid-Amerika betreft twee Uruguayaanse internationals van Peñarol uit Montevideo, Carlos Bueno en Cristian Rodriguez. Zij wilden na het einde van hun contract tekenen bij Paris St. Germain, maar Peñarol vroeg een transfersom omdat de club een optie tot verlenging van hun contracten had bedongen. Vorig jaar bepaalde de arbitragecommissie van de FIFA al dat spelers volgens het reglement van die bond niet op die manier mogen worden tegengehouden. Die uitspraak is nu bevestigd door het CAS. Paris St. Germain hoeft geen transfersom te betalen voor de spelers.

Volgens de spelersvakbond FIFPro, die wereldwijd 40.000 profvoetballers vertegenwoordigt, heeft de zaak in Zuid-Amerika een impact die vergelijkbaar is met de zaak-Bosman in Europa, omdat het eenzijdig verlengen van contracten in Latijns-Amerikaanse landen veelvuldig voorkomt.

Bij de zaak van de Belgische speler Jean-Marc Bosman tegen zijn oude club RC Luik bepaalde het Europese Hof van Justitie in 1995 dat Europese clubs geen transfersom mogen vragen als het contract van een voetballer is afgelopen.