Maak van boeren geen simpele subsidieslaven

‘Publiek geld voor het landelijk gebied is hard nodig, maar dan voor buitenlui die echt voor het landschap zorgen’, aldus Jan Jaap de Graeff (Natuurmonumenten) en Mirjam de Rijk (Natuur en Milieu).

Vergoedingen voor Nationale Landschappen, voor biologische boeren en boeren die houtwallen onderhouden, moeten volgens beiden de plaats innemen van de vrijwel ongeclausuleerde vergoedingen voor melk, fabrieksaardappelen en kalfsvlees. Tot zover prima!

Maar landschapsbeheer heeft alleen kans, als het niet afhankelijk wordt van tijdelijke subsidies. Bovendien beslaan de Nationale Landschappen en de biologische landbouw slechts enkele procenten, terwijl elk landschapstype zijn ecologische, culturele en recreatieve waarde heeft.

Het is de grote uitdaging om de ontwikkeling van alle landschappen aantrekkelijker en meer marktconform te maken. Geheel zonder subsidie kan dit niet. Daarom hierbij de volgende denkrichting.

1. In plaats van de huidige subsidies voor zuivel, wijn en akkerbouwproducten komt er een Europese basisvergoeding van enkele honderden euro’s per hectare. De vergoeding is onafhankelijk van de teelt en de opbrengst. Wel worden er voorwaarden gesteld aan de (flexibele) instandhouding van landschapselementen en milieu. Hoe hoger de basisvergoeding, hoe meer deze een matigend effect heeft op de intensiteit van de landbouw.

Er ontstaat daardoor ruimte voor de aanleg van een kikkerpoel, een nieuwe houtsingel, voor minder rendabele, milieuvriendelijke teelten en voor biologische landbouw. Het is bedrijfseconomisch niet nodig om koeien permanent op stal te zetten. Ook worden alternatieven aantrekkelijker, zoals natuurbeheer, houtteelt, recreatie of zorgverlening op de boerderij.

2. Bovenop de basisvergoeding ontwikkelen de lidstaten landschapsprogramma’s.

Hierbij kan elk land zijn eigen accenten leggen. Nederland kan het behoud van landbouw in het Groene Hart en andere nationale landschappen stimuleren, Frankrijk die van zijn bergweiden; Italië kan zijn olijfboomgaarden en Polen zijn kleinschalige familielandbouw beschermen. Een dergelijke invulling van het landschapsbeleid op basis van nationale prioriteiten biedt meer garantie voor continuïteit dan een uniform EU-stelsel.

3. Er wordt werk gemaakt van de marktconforme beloning door overheden van niet-agrarische diensten, zoals waterberging, waterzuivering, weidevogelbeheer, compostering, herstel van kerkenpaden en de sloop van leegstaande varkensstallen.

In dit kader past ook de investeringsimpuls die 34 organisaties voorstellen in het recente ‘Deltaplan voor het Landschap’, met 200.000 kilometer landschappelijk aantrekkelijke perceelsranden en 50.000 kilometer recreatieve paden door het boerenland.

4. Ten slotte moet ook de ondernemingslust worden gestimuleerd als deze bijdraagt aan het behoud van de landbouw in een aantrekkelijk landschap.

Een theeschenkerij met kinderboerderij in de stadsrand of een bezoekboerderij met beperkte horecafaciliteiten in het buitengebied moeten niet door een te stringent beleid onmogelijk worden gemaakt.

Bij dit alles moeten overheden met plannen aangeven welke waarden zij willen ontwikkelen. Door gebiedsruil kunnen agrarische ondernemers grotere publieke doelen realiseren, zoals waterberging, recreatieve routes en groene woonlandschappen.

Dolf Logemann is adviseur ruimte en groen bij ARCADIS en bestuurslid van de agrarische natuurvereniging Ark & Eemlandschap.