Landbouwsubsidie hoeft niet via Brussel te lopen

Een lang leven voor de landbouwsubsidies is zeker nodig om de verscheidenheid aan Europese landschappen te behouden en voedsel volgens EU-voorwaarden te produceren. Het landbouwsubsidiebeleid ligt echter onder vuur omdat het langs deze doelen heen schiet. De voorwaarden waaraan boeren moeten voldoen om hectaresteun te verkrijgen vinden bij hen weinig draagvlak. De uitvoering van cross-compliance die per lidstaat (soms zelfs per regio) zal verschillen staat nog niet eens goed in de steigers; het besluit daartoe is al drie jaar geleden genomen. In elke lidstaat moet het gevecht met de boeren om voorwaarden erkend te krijgen worden gevoerd. Elke lidstaat moet zelf de afweging maken welke maatregelen uitvoerbaar zijn om het platteland intact te houden, zowel de efficiënte als de meer natuurlijke gebieden. Nederland moet dat doen, maar ook Frankrijk.

Versteijlen geeft in zijn artikel zelf aan dat bij boeren de knop nog om moet; vanuit Brussel lukt je dat niet.

Wie bepaalt betaalt is een gouden regel; subsidiariteit (besturen dichtbij de bestuurde) is een belangrijk beginsel voor de EU. In de tijden van prijsondersteuning moest dat wel een onderdeel zijn van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Nu we bij hectaresteun zijn aangeland kunnen de lidstaten dat zelf wel, voor zoveel nodig geholpen door regionaal beleid van de EU (bijvoorbeeld in de nieuwe lidstaten). Het GLB moet blijven en de landbouwsubsidie ook, maar die bedragen hoeven niet via Brussel rondgepompt te worden. In Oost-Duitsland zijn honderden grootschalige landbouwbedrijven (gebleven na de collectivisatie door de Sovjet-Unie) die gemiddeld per bedrijf een miljoen euro subsidie ontvangen. Aan cross-compliance is bij hen weinig te halen. Het zou een taak voor Duitsland of de Länder zijn om subsidies verantwoord te verdelen; uiteraard binnen Brusselse marges, zoals subsidiebeleid voor elke sector van de economie.