Europa zoekt steun voor ‘brede’ aanpak

De Europese ministers van Buitenlandse Zaken buigen zich vandaag opnieuw over de situatie in Libanon. Aan ambities mankeert het niet, veeleer schort het aan overtuigingskracht.

Voor Europa vormt de oorlog tussen Israël en Hezbollah een existentiële test, zei de Finse minister van Buitenlandse Zaken Erkki Tuomioja gisteren in Brussel. „Als de Europese Unie nu niet in staat is te handelen en in deze kwestie leiderschap weet te tonen, kunnen we ‘dag’ zeggen tegen Europese macht en invloed voor lange tijd”, zei Tuomioja.

Finland werd begin juli roulerend voorzitter van de Europese Unie. Sinds het begin van de jongste Israëlische aanvallen op Libanon, op 12 juli, reist Tuomioja, samen met EU-buitenlandcoördinator Javier Solana en Europees Commissaris Benita Ferrero Walner (Buitenlandse Betrekkingen), stad en land af om een politieke oplossing te bepleiten. Op basis van hun bevindingen zei Tuomioja gisteren er stellig van overtuigd te zijn dat Europa op dit moment in het Midden-Oosten wordt gezien als „de meest geloofwaardige acteur” om te voorkomen dat het conflict verder escaleert.

Nochtans staan de voortekenen voor een succesvolle interventie niet gunstig. Tot dusver kon de EU, voor zo ver waar te nemen, geen rol van betekenis spelen. Verder dan het uitspreken van „uiterste bezorgdheid” en een oproep aan alle partijen om „het geweld te beëindigen” kwam men niet.

Aan een gebrek aan ambitie ligt dat niet. De belangen van Europa bij een stabiel en onafhankelijk Libanon als nabuur zijn evident. Mede daarom zijn er door Europese landen (gezamenlijk en bilateraal) het afgelopen decennium honderden miljoenen euro’s in de wederopbouw van het land gestoken. En een en andermaal hebben de Europese regeringsleiders hun steun aan deze koers betuigd. Ook half juni nog, tijdens hun reguliere top in Brussel.

En het is, in tegenstelling tot de situatie aan het begin van de oorlog in Irak drie jaar geleden, ook geen kwestie van onenigheid over de diagnose van het conflict. Toen raakte Europa diep verdeeld, waarbij Frankrijk en Duitsland zich nadrukkelijk manifesteerden als tegenstanders van de Amerikaans-Britse aanval op het regime van Saddam Hussein.

Dit keer is daarvan geen sprake. Er zit wel licht tussen de opstelling van de verschillende hoofdsteden, maar de steun voor het stappenplan van de Verenigde Naties, te beginnen met een beëindiging van de gewelddadigheden en verlening van humanitaire hulp, is breed en onomstreden.

Ook zijn wel er interessante positiewisselingen binnen de Europese gelederen. Zo kiest Spanje meer distantie tot Washington dan ten tijde van het begin van de oorlog in Irak, terwijl Duitsland veel meer prudentie aan de dag legt dan drie jaar geleden. Maar deze mutaties weerspiegelen veeleer veranderingen in de binnenlandse politieke verhoudingen.

Nee, de oorzaak voor de onzichtbaarheid van Europa in de actuele oorlog tussen Israël en Hezbollah ligt veeleer in het Europese onvermogen om de hoofdrolspelers te overtuigen van de juistheid van Europa’s oplossing. Anders dan Israël en de Verenigde Staten plaatsen de Europese landen de oorlog tussen Israël en Hezbollah niet in de eerste plaats in de context van de strijd tegen het terrorisme, maar zien zij hem eerder als verlengstuk of zijtoneel van het Israëlisch-Palestijnse conflict.

Zonder uitzicht op een duurzame regeling van het laatste conflict noopt politiek-militair optreden in de oorlog tussen Israël en Hezbollah in de perceptie van Europa dan ook tot grote voorzichtigheid en terughoudendheid. „Het is een risico wanneer het [optreden] zich transformeert in een conflict met een moslimwereld die het gevoel heeft te worden vernederd door een dominant Westen”, aldus de Franse minister van Buitenlandse Zaken Philippe Douste-Blazy deze week in dagblad Le Parisien.