Dikke bult

Elk jaar verdwijnen er mensen bij de vollemaansfeesten in het Indiase Pushkar. In de zee van gelovigen en kamelenbulten is het lastig de weg niet kwijt te raken.

Tijdens de vollemaansfeesten rond de Indiase bedevaartplaats Pushkar worden 50.000 stuks vee aangevoerd, waarvan de helft kamelen. Dat is meer dan waar ook ter wereld. Zover het oog reikt, zie je een zee van bulten. Er worden kamelenrennen gehouden en er zijn verkiezingen voor het mooist opgetuigde schip van de woestijn.

Bij aankomst wacht ons een uitgebreid begroetingsceremonieel in de receptietent van ons comfortabele ‘woestijnhotel’. We worden aangesproken met ‘sahib’ en ‘madam sahib’, krijgen bloemenslingers omgehangen en hapjes en drankjes aangeboden. In vol ornaat poseren we voor een staatsiefoto. Met de slingers nog om de hals gaan we de kamelenmarkt op. Ik vraag een handelaar hoeveel kamelen mijn vrouw waard is. Hij is stomverbaasd.

‘She is your sweet honeysuckle, don’t you love her?’

‘Yes I do, but I also love camels.’

De handelaar zet, met ’n knipoogje, in op twee stuks. Gerarda protesteert. Ze houdt pas op als ik minstens tien kamelen voor haar wil hebben.

We vinden kamelen leuker om naar te kijken dan om erop te rijden. De drijvers die ons een ritje aanprijzen vangen dan ook bot. Eén van hen geeft zijn kameel een teken. Ik krijg een duw en bijt in het zand. Dikke bult, eigen schuld.

We zijn nog steeds in een vrolijke stemming als Verghese, onze chauffeur, ons naar Pushkar brengt voor een kijkje in de heilige stad zelf. We spreken af dat hij ons over een uurtje op dezelfde plek ophaalt. We laten ons meevoeren met de stroom gelovigen en toeristen die zich in de richting van de tempel van Brahma beweegt. Onderweg vangen we een glimp op van het mysterieuze heilige meer, waar de pelgrims komen bidden en baden. We maken grapjes met de gidsen en kooplieden die op ons afschieten. Een tapijtverkoper krijgt te horen dat we geen tapijt nodig hebben omdat we met het vliegtuig teruggaan. Een sadhoe wil voor onze zielenheil bidden. Dat is mooi meegenomen. De heilige man loopt prevelend voor ons uit naar de Brahmatempel. De menigte wijkt eerbiedig uiteen. Bij de tempel aangekomen, prijzen wij hem de hemel in. Daar zit hij niet op te wachten. Hij wil vijftig dollar. Wij blijven net zo lang ‘vijf dollar’ verstaan tot hij het opgeeft.

De Brahmatempel van Pushkar moet je gezien hebben. De tempel werd gebouwd in de veertiende eeuw en is het enige heiligdom in India dat aan deze godheid is gewijd. Helaas krijgen we, terwijl we de tempel in- en uitgeperst worden, niets anders te zien dan verhitte hoofden. Bij de ghats, de badplaatsen aan de oever van het heilige meer, houden ordebewakers ons tegen. We moeten entree betalen en mogen geen foto’s maken.

Voor ons is de lol er af op het moment dat we ontdekken dat we de weg kwijt zijn. Na een uur ronddolen, zien we de Ambassador van Verghese. Hij rijdt stapvoets en hangt ingespannen turend over het stuur. Zodra hij ons ontwaart, stopt hij midden in het drukke verkeer, schiet de auto uit en stormt op ons af. Hij is over zijn toeren. Nog voor we kunnen uitleggen waarom we er niet waren, roept hij dat hij een klapband heeft gekregen. Hij vindt het verschrikkelijk dat we vergeefs op hem hebben gewacht en naar hem op zoek zijn gegaan. Elk jaar verdwijnen er in Pushkar tijdens de festiviteiten tientallen mensen. Kunnen we ons voorstellen hoe ongerust hij geweest is?

Ik laat Verghese grootmoedig weten dat wij alle begrip voor hem hebben, maar dat is Gerarda toch te gortig. Ze zegt dat hem niets te verwijten valt, maar ons des te meer. Als wij beter hadden opgelet en niet verkeerd waren gelopen, hadden we zeker op tijd op de afgesproken plek gestaan. Verghese riskeert een straf wegens aanstootgevend gedrag. Hij sluit ons ontroerd in zijn armen.