De berberaap in het Rif moet concurreren met de kif

Hoe koestert een land zijn natuur? Onze correspondenten reizen deze zomer langs natuurparken. In het Rif wordt de natuur bedreigd door de cannabisteelt.

Steven Adolf

In de rivierbeddingen zetten eindeloze struiken bloeiende oleanders de omgeving in een roze gloed. Het ruikt er naar tijm en rozemarijn. Bergstroompjes doorklieven de bergen, steile kliffen en massieve, roodgekleurde bergwanden vormen een overweldigend panorama. De Berberaap, de otter, de schildpad en de laatste koningsarenden en jakhalzen vinden hier hun habitat.

Het westelijke Rifgebergte in Marokko ligt klaar om ontdekt te worden als natuurgebied. Kleurige streepjes op de rotsen geven hier de verschillende wandelroutes aan, op de trajecten zijn berghutten ingericht voor de wandelaars. Je kunt er zwemmen in het frisse water van de bergbeekjes, er zijn grotten die nog niet door iemand in kaart zijn gebracht.

In de dorpen en op het land tussen Tétouan en Chefchaouen vormt het ecotoerisme de hoop voor de toekomst. Een nieuw soort kwaliteitsbezoeker uit het rijke Europa moet worden aangetrokken. Weg met de smoezelige rugzaktoeristen en neohippies die zich voor een habbekrats apestoned roken aan het Riffijnse exportproduct bij uitstek: de hasj of kif.

Maar juist de kif, motor van de lokale economie, is de grootste concurrent van de indrukwekkende natuur die de toeristen moet trekken. Aisa Mokadem zucht eens diep als de kwestie ter sprake komt. De beminnelijke directeur van het natuurpark Talassemtane ziet per jaar duizend hectare beschermd bos plaatsmaken voor veldjes waar cannabis wordt geteeld. „Het is ons grootste probleem”, zucht hij.

We rijden met de landrover het bergstadje Chefchaouen uit waar Mokadem kantoor houdt. Zijn park van 58.000 hectare ligt in het westelijke Rif ingeklemd tussen Chefchaouen, Tétouan en de Middellandse Zee. We rijden langs het stuwmeer, richting de kliffen en de bergen die de zuidkant van het park begrenzen. Wolken rollen over de heuveltoppen. ’s Winters sneeuwt het hier. Vrouwen met rode mantels en rijkversierde strooien hoeden snijden het graan met hun sikkels en laten het samengebonden in kleine schoven achter op het land. Met zijn glooiende velden tussen de bergkammen waant de bezoeker zich eerder in Lombardije dan in Noord-Afrika.

Kif heeft hier voor een welvaart gezorgd waarvan de ploeterende bergboeren vroeger slechts konden dromen. Achter een kopje koffie op het terras van café Continental in de centrale winkelstraat van provinciehoofdstad Tétouan schetst journalist Ahmad Chentoufi de macht van cannabis. „De belangen zijn groot”, zegt hij, terwijl een oude vrouw om de suikerklontjes van onze koffie bedelt. „Vanouds is het hier armoe troef. Met de kif hebben de mensen een rijkdom gekregen die ze nooit meer kwijt willen raken.” Chentoufi schrijft regelmatig in de lokale krant over schandaaltjes met boswachters, die tegen vergoeding een oogje dichtknijpen als een perceel eeuwenoude sparren wordt geofferd aan de cannabis.

Bomen zijn handel. Dat ondervond ook de in Amsterdam woonachtige bioloog Mostafa El Filali. In zijn geboortestadje Stehat aan de noordkant van het park, nam El Filali samen met de Stichting Ecokids het initiatief voor een Marokkaans-Nederlands Natuurvriendenhuis. Het huis, waarin een bescheiden museum is ingericht, dient onder meer voor voorlichting en uitwisselingsprojecten tussen scholen in Stehat en Amsterdam. Tijdens een vriendschapsfestival dit voorjaar waren de Nederlandse ambassadeur, de Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb en oud-VVD-lijsttrekker Hans Dijkstal aanwezig. Toen El Filali de gasten langs een strategisch bosje voor trekvogels wilde leiden, waren ze er juist getuige van hoe voorbereidingen werden getroffen om de betreffende populieren om te zagen.

„De gemeente Stehat had het bos verkocht”, verklaart El Filali. Greenpeace werd ingeschakeld, inmiddels heeft El Filali samen met zijn stichting Kantara zowel in Nederland als in Marokko een handtekeningenactie opgezet om het vogelparadijsje van de ondergang te redden.

Natuurbeheer werd in Marokko al in de jaren tachtig per koninklijk decreet ingevoerd, maar administratief is het geen lolletje, zo zegt parkbeheerder Mokadem. De Spaanse kolonisator liet bij vertrek een chaos achter door wel exploitatierechten op het land uit te geven, maar geen duidelijk eigendom dat is vastgelegd in een kadaster. Om de regels van het park van toepassing te verklaren op de bospercelen was een procedure van twintig jaar nodig. Bijna twintigduizend parkbewoners verdedigen nu met hand en tand hun rechten. En daaronder wordt vaak nog het omhakken en in brand steken van de bomen gerekend.

Toch gloort er hoop. Parkbeheerder Mokadem ziet het bewustzijn onder de lokale bevolking groeien. In het Natuurvriendenhuis in Stehat liggen de uit Nederland meegebrachte vogelgidsen klaar voor de voorlichting aan een nieuwe generatie Riffijnen. Er is een bosje gepland dat de schoolkinderen het belang van de bomen moet bijbrengen. „Een bescheiden experiment om allochtone Marokkanen uit Nederland te betrekken bij duurzame ontwikkelingen in hun land van herkomst”, aldus Mostafa El Filali.

Dit is deel drie in een serie over natuurbeheer in het buitenland. Eerdere delen zijn na te lezen op www.nrc.nl/buitenland