Afschuw ja, verdoeming nee

De walging van de Israëlische bombardementen op Zuid-Libanon is wereldwijd, en algemeen heerst de treurnis over de dode kinderen en over hun dode vaders en moeders. Het is niet meer alleen de islamitische wereld die Israël nu identificeert met het kwaad en het als onbarmhartige agressor en kolonisator veroordeelt. Ook in het westen, en dan vooral in Europa, lijkt de afschuw over de verschrikkingen van de oorlog zodanig dat Israël elk krediet in de publieke opinie heeft verloren. Het is bijna onmogelijk geworden Israël te verdedigen zonder het odium op zich te laden daarmee impliciet goedkeuring te verlenen aan het bombarderen van arme onschuldige mensen.

Is dit het waard? Natuurlijk niet. Wat kan de toekomst zijn van een staat die het blijkbaar nodig heeft zich op deze manier te verweren? Het is waar dat de terroristen van de Partij van God die Israël met raketten bestoken, zich verschuilen tussen de burgerbevolking. Maar dit kan het vermoorden van die burgerbevolking onmogelijk rechtvaardigen. Israël weet dat. De militaire doelstelling van de regering-Olmert is de uitschakeling van de wapens waarover Hezbollah beschikt. Dat blijft het verschil met de terroristen die bewust dood en verderf zaaien op Israëlisch grondgebied. Helaas is dit verschil niet van de minste betekenis voor de doden en gewonden in Libanon of voor de wezen en de kinderloos geworden ouders. Moeten wij soms partij kiezen tussen dode kinderen aan de ene of de andere kant? Zoiets kan niet en mag niet. Een dood kind is een dood kind.

Is hiermee het onderscheid weggevallen tussen Israël en zijn terroristische belagers? Sorry, in die val weiger ik te trappen. Verontwaardiging over de bombardementen, ja. Verdoeming van Israël, nee. Wat al te gretig wordt de grens tussen verontwaardiging en vervloeking in Nederland en Europa op dit moment overschreden.

Ik heb al in de serieuze pers vergelijkingen gelezen tussen Israël en Saddam Hussein. Daaraan gekoppeld lijken Hamas en Hezbollah op een toenemend begrip te kunnen rekenen, ook in Nederland, waar hun acties niet alleen door de SP als gelegitimeerd verzet worden beschouwd. Israël geldt als een gevaar voor het westen, omdat het de islamieten in zijn buurlanden en elders zou aanzetten tot terrorisme. Het bestaansrecht van de joodse staat wordt zoal niet ontkend, dan toch gerelativeerd door het te beschrijven als een enclave van religieus verdwaasde Amerikaanse huurlingen. En jawel, het kon niet uitblijven, de Nederlandse politiek wordt dringend gemaand zich niet „blijvend te laten gijzelen door schuldgevoelens over de holocaust” (cultuurhistoricus Thomas von der Dunk in de Volkskrant van 24 juli).

Voor alle zekerheid: ik weerspreek niet dat er aan Israëlische zijde, zoals Von der Dunk terecht opmerkt, sprake is van „morele ontsporing”, anders is het bombardement op Qana niet verklaarbaar. Dat is een militaire, maar zeker ook een morele ontsporing. Toch lijkt me de nu heersende anti-Israëlische stemming eenzijdig en gevaarlijk. Hoe weerzinwekkend en verachtelijk het bombarderen van burgers ook is, het getuigt van een extreme kortzichtigheid daarin een goedkeuring, op zijn minst een rechtvaardiging, te willen zien voor het terrorisme van groeperingen in het Midden-Oosten die het bestaansrecht van Israël betwisten. En erger dan kortzichtig zijn de pogingen Israël verantwoordelijk te stellen voor het islamitisch terrorisme. Wie zo redeneert, doet niets anders dan de schuld wegnemen van de daders van terroristische aanslagen, om deze te leggen bij een land dat van dat terrorisme mede het slachtoffer is en er in zijn bestaan door wordt bedreigd.

Overigens is het niet de Nederlandse politiek die wordt gegijzeld door de herinnering aan de holocaust, maar Israël is de gijzelaar van de geschiedenis. Hedendaagse geschiedenis, vrees voor toekomstige geschiedenis. Het ANP bracht op 26 juni het volgende bericht:

„TEHERAN – Iran organiseert in oktober een ‘wetenschappelijke’ conferentie over de Holocaust. De Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad veroorzaakte eerder dit jaar grote beroering in het westen door te stellen dat de Holocaust, de moord op zes miljoen joden door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog, een verzinsel is. Het is onduidelijk wie de conferentie zal bijwonen.”

De ontkenning van de holocaust door de president van Iran, die bij zijn aantreden de doelstelling formuleerde Israël „van de kaart te vegen”, kan niet anders worden opgevat dan als een oproep tot genocide. Wie van Israël verlangt daaraan voorbij te zien, is op zijn best naïef, maar wie er zélf aan voorbij ziet en tegelijk Israël verantwoordelijk stelt voor het terrorisme in de wereld, zou maar beter niet kunnen spreken over morele ontsporingen.

Men kan natuurlijk zijn schouders ophalen over de aangekondigde conferentie in Teheran, zelfs al wordt deze gehouden in de slagschaduw van nucleaire installaties waar Iran op afzienbare termijn atoomwapens kan produceren. Intussen laat, dichter bij huis, de TU Delft een groep studenten onderzoeken (in twee weken!) of de aanslagen van 11 september 2001 een samenzwering zijn geweest van de CIA of, dat kan natuurlijk ook, van de geheime dienst van Israël, iets waarvan de Arabische wereld allang overtuigd schijnt te zijn. Het zijn immers altijd de joden die schuldig zijn aan het kwaad in de wereld en aan wie het kwaad vergolden zal worden, desnoods met de jammerlijke pseudo-wetenschappelijke stunt van de TU Delft als bijkomend argument.

Het is om redenen van deze aard dat de Spaanse schrijver Jorge Semprun, een morele stem in Europa, het bestaan van Israël in historisch opzicht „absoluut noodzakelijk” noemde en „absoluut tegen elke aanval moet worden verdedigd, één van die zeldzame plaatsen op aarde waar geen enkel compromis aanvaardbaar is, omdat het bestaan van Israël de toetssteen van de onmenselijkheid of de menselijkheid van de soort is”.

De bombardementen op Zuid-Libanon zijn een ondermijning van dit morele standpunt, maar geen weerlegging ervan. Intussen denk ik niet dat men zich moet identificeren met een staat, welke dan ook, maar dat men moet proberen zich te identificeren met mensen, met individuen, of zij nu in Libanon of Israël of Iran wonen: menselijke wezens die hunkeren naar rechtvaardigheid en vrede.