Zie hoe de warmte de tijd uitzet

Er zijn experimentelen, maar ook genoeg dichters die klassieke poëtische waarden als ritme en binnenrijm verdedigen. Een selectie uit het jonge aanbod, die om méér vraagt.

Froukje van der Ploeg: Kater. Nieuw Amsterdam, 54 blz. €14,95

Florence Tonk: Anders komen de wolven. Nieuw Amsterdam, 62 blz. €14,90

Bernard Wesseling: Focus. Nieuw Amsterdam, 42 blz. €14,90

Alle discussie over het bestaansrecht van de poëzie ten spijt, weet het genre zich in deze tijd van ‘screenagers’ prima te handhaven. Een ongerijmd succes noemde de Amsterdamse literatuurprofessor Thomas Vaessens dat. Zijn standpunt is dan ook dat we onze gedachten over poëzie moeten bijstellen.

Wie de debuten van de laatste jaren naleest kan slechts constateren dat de dichters hun eigen weg blijven gaan, en doorgaans langs het oude spoor. Er zijn wel opvallende experimentelen, zoals Astrid Lampe en F. van Dixhoorn, maar de meeste poëten laten zich makkelijk in een literaire traditie plaatsen. Dit geldt zeker voor veel dichters die zich sinds vorig jaar in de stal van uitgeverij Nieuw Amsterdam hebben genesteld. Wim Brands en Gerry van der Linden bijvoorbeeld zijn geen omroepers van oproer of duivelse taalacrobaten, en dat geldt ook voor debutanten zoals Els Moors, Froukje van der Ploeg en Florence Tonk.

Lichtheid lijkt het adagium. Lichtheid van toon, taal en onderwerp. Neem het gedicht ‘Nieuw’ uit Kater van Froukje van der Ploeg:

Mijn dag begon met de gedekte tafel

van gisteravond, het keukenmes

in een karkas van parelhoen

verzuurde wijn en beurse aardbeien

Nieuwe thee door een zeef ik wacht

op beloofde zon uit het zuiden

een vrouw fietst langs de resten van een koe

als aanbieding in het busje van de buurman

Vraag me hoe mijn dag was en ik vertel

hoe een vlieg na een nacht brommen

mijn open raam vindt

Het begint met het goede leven van gisteren. Dan volgen impressies van een beloftevolle dag, waarover achteraf niet meer te vertellen valt dan het derde couplet ons biedt. En wat biedt dat? Een lichtelijk verveeld verslag van irritatie.

Het is niet het beste gedicht in Kater, maar de ingrediënten en het recept zijn kenmerkend voor Van der Ploegs poëzie. Die bestaat steeds uit een reeks impressies die doorgaans uitmondt in een relativering. ‘Zie je hoe de warmte de tijd uitzet / de randen roze laat en door de lucht / stapels witte konijnen vliegen’, luidt het eerste couplet van ‘Alice’. De drie volgende regels sporen aan om die pluizigheid in de lucht te vangen, maar maken onverwachts een wending naar de werkelijkheid van ‘winkels met een bel’. Bezette mannen, verveling en parfum van mensen op een luchthaven dringen zich in beeld, en dan volgt het soort relativering waarop Van der Ploeg patent zou kunnen aanvragen: ‘Je wist toch dat je huid ruim wordt / van goedkope koekjes, andere rondingen nalaat / dan dure taartjes’.

Er wordt geen antwoord verwacht, dus het vraagteken ontbreekt. Dat leesteken verschijnt slechts driemaal in Kater, en elk van die drie keer lijkt het retorisch of op z’n minst ironisch. Er is geen plaats voor vragen in dit universum van associaties. De impressies rijgen zich, zonder logica lijkt het, aaneen. Komt het daardoor dat zelfs treffende beeldspraak na lezing vaak niet beklijft? Het kan scherper, soms kan een regel geschrapt, het mag kwetsbaarder. Toch ontving Froukje van der Ploeg vorig jaar terecht de poëziebeurs van Hollands Maandblad. Ze schrijft over alledaagse onderwerpen, maar doet dat met een caleidoscopische vertekening die desoriënteert. Kater maakt nieuwsgierig naar meer.

Dat geldt ook voor Anders komen de wolven van Florence Tonk. Haar poëzie lijkt een regelrechte verdediging van klassieke poëtische waarden als ritme en binnenrijm. En ook inhoudelijk verzet ze zich tegen de kennissuprematie van wetenschap en internet. Google heeft een venster voor vragen, constateert ze in ‘Oud peterseliewater’, maar ‘wat vindt de zoekmachine / over hen, mij en alle raadsels die/ door onze dagen hangen als slingers / zonder aanleiding of feest?’ Bitter weinig is het antwoord. Het is dan ook niet de kennis, maar het raadsel dat telt.

Dat ook een wetenschappelijk krantenbericht het raadsel vergroten kan en dan aanleiding geeft tot poëzie, blijkt in ‘Dus wel’. ‘Astronomen vinden een kristal / ter grootte van onze maan / in het hart van een stervende witte dwerg,’ kopte een Engelse krant. Tonk maakte daar een gedicht van dat, al blijft het steken in de anekdote, haar nadrukkelijke neiging tot engagement toont. Het vaderlandse cliché wil dat politieke betrokkenheid in poëzie onmogelijk is, maar in Anders komen de wolven staan gedichten die die opvatting logenstraffen. ‘Arm en rijk’ bijvoorbeeld, dat de globalistische tegenstelling lyrisch toonzet. Of ‘Alimentatie’, dat ijzerhard inzet met: ‘Ze droeg zelfs hoge hakken / toen ze baarde // nu houdt ze huisspinnen / en de knieën bij elkaar / draagt weer haar meisjesnaam’.

Toch zijn Tonks niet-politieke aardse verzen overtuigender. Lees ‘Pastorale’:

Er hangt een kraai in de lucht

als je me breekt

als je me steekt met het touw

dat klimt als ik fluit

bij de buren huilt een kalf

om zijn moeder

en ik lig in duizend delen

tussen de melkplassen

die in het blauwe uur

jouw kleine huis besluipen

wee je lange benen

als je vergeet

een stukje op te rapen

‘Pastorale’ heet het, maar hier klinkt een echo van de Goyescos van Hendrik de Vries. De dwingende Spaanse melodie daarvan klinkt ook in de vijf laatste verzen van Anders komen de wolven. Dat zijn dan ook dansverzen, deels naar de tangomuziek van Piazzolla. Geen grotesken hier maar, in ‘Gemeen gedicht’, toch even een vlijm op de keel: ‘Ze kijkt als ze danst of ze neukt / ze kijkt als ze danst zoals ze denkt / dat men kijkt als men neukt / of ze kijkt alsof er iets klem zit / en hier beduusd van is’.

Zo intiem vilein zijn de verzen in Focus van Bernard Wesseling niet. Dit debuut onderscheidt zich ook sterk van de andere twee. Lichtheid is hier allerminst het adagium. Vluchtigheid eerder. Wesseling, die twee jaar geleden als romanschrijver debuteerde met De favoriet, is een koortsig podiumdichter, en zijn ijlende toon dreunt voort op elke pagina van Focus. Maar hoe zwaar de toonzetting ook is, de tekst vervliegt onmiddellijk na lezing. Zo gewichtig als de verstitels zijn, zo al te vlot babbelend is immers de inhoud. ‘Het belang van de oprechte verontschuldiging of: waarom de vergevene niet mag vergeten’ heet een gedicht; ‘Bij het boud uitspreken van om het even hoe lang nog’ een ander. Dat suggereert een diepe betekenis, of op z’n minst een verrassing, maar die blijft doorgaans uit.

Toch is Wesseling niet talentloos. Het gedicht ‘Backyarding’ bijvoorbeeld heeft een quasi-diepzinnig, maar treffend slot in: ‘en God is een documentairemaker die denkt: / sla niet om te zien wat leeft, raak aan om te zien wat bestaat’. Dat is weliswaar goeroejargon, maar Wesseling zet dat, hoe irritant soms ook, ironisch naar zijn hand. Hij is de screenager die Vaessens als bedreiging van de traditionele poëzie ziet: de dichtende schermadept die in ‘Sambal maakt meer heet dan je lief’ de tv-spot versleutelt.

Een enkele maal is het poëtisch raak, zoals in het tweede vers uit de cyclus ‘Het uur van de wolf’:

De hoeveelheid zeehond

door orka’s verslonden tijdens hun

hongerwoede is lang niet zo bizar

als de daaropvolgende gewoonte

een van de overgeblevene

met de staartvin door het luchtruim

te slingeren

om het geschokte, ongeschonden dier

na afloop snuitsgewijs zoetjes aan

wal te brengen

Vergelijkbaar de verleiding

voor de Rietveldstudent onbedoelde

subtiliteiten uit te vergroten

van zijn voltooid verklaarde collage

We leven in concurrerende realiteiten

Sshhht!

Ik zeg tegen de nachtzuster:

zorg is controle

controle is macht

goeienacht

Het laatste couplet is een cabareteske knieval naar het publiek in de zaal. Als Bernard Wesseling zelf doorkrijgt dat die knieval in druk ontbreken mag, wil ik ook zijn tweede bundel wel lezen.