Waar is de Chinese architectuurhel?

Project Qing Song Wai Yuan Garden uit 2005 van architect Zhu Xiao Feng in Shanghai. Foto Shen Zhonghai Scenic Architecture Qing Song Wai Yuan Garden Ningbo 2005 Fotograaf: Mr. Shen, Zhonghai
Project Qing Song Wai Yuan Garden uit 2005 van architect Zhu Xiao Feng in Shanghai. Foto Shen Zhonghai Scenic Architecture Qing Song Wai Yuan Garden Ningbo 2005 Fotograaf: Mr. Shen, Zhonghai Zhonghai, Shen

Tentoonstelling: China Contemporary Architecture. T/m 3/9 in het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark Rotterdam. Geopend: di-za 10-17u, zo 11-17u. Inl. www.nai.nl

De cijfers over China die in het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) over het architectuurdeel van het drieluik China Contemporary zijn verstrooid, zijn ronduit huiveringwekkend. Van de 900 miljoen boeren zijn de afgelopen jaren 20 miljoen hun land kwijtgeraakt, zo valt er bijvoorbeeld te lezen, en 144 miljoen mensen verhuisden van het platteland naar de steden. De jaarlijkse bouwproductie was zo’n 500 miljoen vierkante meter en tot 2020 wil China 400 steden van 1 miljoen inwoners bouwen.

Toch is er op China Contemporary Architectuur niet zo gek veel te merken van de koortsachtige bouwwoede die China heeft bevangen. Het kan niet anders of het grootste bouwprogramma uit de geschiedenis van de mensheid dat de versnelde modernisering van China begeleidt, gaat gepaard met nooit eerder vertoonde stedenbouw en architectuur, maar daar krijgt de bezoeker slechts een enkele glimp van te zien.

Dat komt niet doordat er weinig is tentoongesteld. De hele grote zaal van het NAi wordt in beslag genomen door videoschermen, tafels met maquettes, hangende balken die met foto’s zijn beplakt en armoedige panelen van hardboard met foto’s en toelichtende teksten. Nee, dat er van het op zijn grondvesten dreunende China zo weinig is te zien, komt doordat het NAi ervoor heeft gekozen om vooral het werk van achttien Chinese ‘avant-garde’-architecten te tonen.

Volgens het NAi verzetten de avant-gardisten, onder wie Ai Weiwei, Wang Jun en Urbanus, zich tegen de Chinese bouwpraktijk. Tegenover de kaalslag in oude stadswijken en de woekering van appartemententorens waarvoor de kapitalistische bouwondernemers verantwoordelijk zijn, stellen zij „kwalitatief hoogwaardige gebouwen, die in de transformatie van het stedelijk weefsel een rol spelen door architectuur en openbare ruimte optimaal te integreren”, aldus het architectenjargon dat de teksten op de expositie teistert.

Vreemd genoeg – of eigenlijk juist helemaal niet vreemd – komt de Chinese avant-garde-architectuur bekend voor. Dit is vooral goed te zien op de afdeling van de tentoonstelling die juist de naam Chineseness heeft gekregen. Hier staan de voorbeelden van gebouwen waarin ‘chineesheid’ een rol speelt, bijna allemaal in het teken van iets dat je globaliseringsmodernisme zou kunnen noemen. Dat wil zeggen: architectuur die volgens de internationale goede smaak minimalistisch is vormgegeven en een toefje chineesheid heeft gekregen in de vorm van een abstracte referentie aan traditionele Chinese bouwkunst. Het is Chinese architectuur van het soort dat ook een in Delft opgeleide polderarchitect zou maken als hij de opdracht kreeg: ‘maak een hedendaags Chinees gebouw’.

De gewetensvolle, kritische, Chinese avant-gardistische architectuur heeft China Contemporary Architectuur iets buitengewoons braafs gegeven. Bij het zien van de zoveelste nobele poging om een wijk „voor de stad aantrekkelijker te maken”, begin je hevig te verlangen naar de rauwe, onmenselijke Chinese stedenbouw en architectuur waartegen de avant-garde zich verzet. Halverwege de China-tentoonstelling ben je hard toe aan een spijkerharde gated community met Griekse-tempelfrontons of een nieuw Chinees stadje gevuld met Nederlandse grachtenhuizen. Maar van dit soort dingen, die niet minder Chinees zijn dan het keurige Chinese minimalisme, krijg je niets te zien.