Verliefde kennismigrant zoekt begrip

Een kenniseconomie vergt soepeler immigratieregels voor hoogopgeleiden.

Dat moet ook gelden voor de talentvolle migrant die hier komt voor partnerhereniging.

Met de toenemende krapte op de arbeidsmarkt hoor je de laatste tijd weer regelmatig over hoe het kennismigranten makkelijker gemaakt moet worden om naar Nederland te komen. Andere migranten, vooral diegenen die hier komen om zich bij hun partner te voegen, moeten daarentegen worden ontmoedigd, als we af mogen gaan op de populariteit van politici als Geert Wilders en Rita Verdonk. Hoogopgeleide niet-westerse migranten die hier komen op basis van partnerhereniging vallen daar tussenin.

Mijn Indiase partner spreekt zes Indiase talen, naast vloeiend Engels en wat Duits en Frans. Hij heeft zijn bachelors gedaan in Bangalore, India, en is daarnaast twee jaar in Australië geweest om daar zijn masters te doen in IT. Zijn studie combineerde hij met een managementfunctie bij een groot Amerikaans bedrijf. Op papier de ideale kennismigrant. Alleen wel jammer voor hem dat hij hier óók kwam om zich met mij te herenigen.

Net zoals iedere andere ‘huwelijks’-migrant die naar Nederland wil komen, moest hij daarom door de juiste procedure. Zo moesten bepaalde documenten worden opgesteld en gelegaliseerd (reken zo’n drie maanden) en moest er een zogenoemde Machtiging tot Voorlopig Verblijf (MVV) aangevraagd worden. De kosten van zo’n MVV zijn 860 euro en eenmaal toegekend, na zo’n vier maanden, mag je dan voor drie dagen Nederland in. Die drie dagen gebruik je om een verblijfsvergunning aan te vragen. Dit kost opnieuw 180 euro en duurt nog eens een krappe drie maanden. Een paar weken later kun je dan ook je verblijfspasje ophalen en een sofi-nummer aanvragen waarna het je vrijstaat om te gaan werken. Bij elkaar opgeteld ben je dan toch zo’n tien maanden verder om nog maar te zwijgen over het prijskaartje dat aan die procedure vastzit.

Mijn partner is natuurlijk wel heel bij dat hij uit dat arme India weg is. Denken veel Nederlanders die hij ontmoet. Al het gepraat over inburgering blijkt het beeld te hebben gecreëerd dat je toch wel heel blij moet zijn dat je in Nederland bent. Nederlanders beheersen daarnaast goed hun talen, wat scheelt als je hier als migrant komt, krijgt hij, meestal in steenkool-Engels, te horen.

Je moet alleen wel Nederlands leren, al was het maar om je zaken met de mensen van Inburgering te kunnen regelen. De voertaal is daar Nederlands want dan went de nieuwkomer daar maar vast aan. Ze spreken wel wat Engels, volgens mijn partner, maar weer net niet genoeg om duidelijk te maken wanneer hij nu met zijn verplichte cursus Nederlands moet starten.

Hij heeft intussen maar een zelfbetaalde cursus Nederlands gevolgd. Daardoor kan hij al meer volgen dan de meeste Nederlanders inschatten. Toen ik laatst een bankrekening voor hem wilde openen bij de Rabobank werd dit geweigerd. Reden: hij heeft nog geen inkomen. Het meisje achter de balie legde fijntjes uit dat buitenlanders vaak geen gebruik maken van hun rekening. Dat deed ze natuurlijk in het Nederlands, want hij mocht het eens kunnen volgen.

De procedure om naar Nederland te komen is lang en ingewikkeld en daarnaast ook nog eens duur. Eenmaal in Nederland ben je daar niet vanaf. Mijn partner zal ieder jaar weer opnieuw om verlenging van zijn verblijfsvergunning moeten vragen, tot het moment daar is dat hij een paspoort aan mag vragen. Wij zullen dan zonder bemoeienissen van de Nederlandse staat samen verder kunnen. We fantaseren nu soms al in welk land dat zal zijn.

Michiel Baas is de partner van een niet-westerse, hoogopgeleide immigrant.