Smeerolie van de hockeyploeg

Nog drie duels bij de strijd om de Champions Trophy en Jeroen Delmee mag zich met 338 caps Nederlands recordinternational noemen. Over een ‘hockeydier’ uit Boxtel. „Jeroen weet wanneer hij het simpel moet houden.”

Jeroen Delmee zaterdag in de wedstrijd tegen Argentinië. „Een beetje mediatraining had hem goed gedaan.” Foto Jeroen van Bergen Copyright: Jeroen van Bergen 0653915196
Jeroen Delmee zaterdag in de wedstrijd tegen Argentinië. „Een beetje mediatraining had hem goed gedaan.” Foto Jeroen van Bergen Copyright: Jeroen van Bergen 0653915196 Bergen, Jeroen van

Het was een komisch gezicht: een van Nederlands grootste hockeyers die in de aanloop naar de Olympische Spelen van Sydney (2000) als een klein kind tegen de muur aankroop van het clubhuis van Pinoké, vertelt Piet-Hein Geeris. „We hadden de hulp ingeroepen van een Engelse sportpsycholoog, Jon Syer; die moest ons verlossen van ons strafballentrauma. Tijdens een van die sessies zette Syer een tas in het midden. Hij zei: wie niet bang is straks een strafbal te nemen, gaat niet ver van de tas staan. Jeroen was als de dood. Het was dat het clubhuis muren had, maar het liefst was hij naar buiten gelopen, zo ver mogelijk weg van die tas.”

Nog altijd kan Geeris (34) lachen om het voorval, met zijn vriend en oud-ploeggenoot Jeroen Delmee in de hoofdrol. Maar al te goed weet de oud-international (194 caps) waar diens strafballenangst vandaan komt: de verloren WK-finale van 1994. „Jeroen zat nog geen jaar bij het Nederlands elftal, en gold al als de beste strafballennemer; hij miste nooit. Dus toen Wouter van Pelt op het laatste moment zijn keutel introk, en Roelant (bondscoach Oltmans, red.) iemand anders nodig had, wilde Jeroen wel. Maar toen-ie oog in oog stond met de Pakistaanse doelman, bleek het toch anders dan hij had gedacht. De spanning greep hem naar zijn keel en hij miste, de beslissende nog wel.”

Zijn misser leverde Delmee behalve een bijnaam (Delmis) een trauma op, weet Geeris, die vijftien jaar samenspeelde met zijn dorpsgenoot uit Boxtel. „Heel sneu, zeker voor zo’n grote hockeyer. Hij heeft het later toch weer een keer geprobeerd bij Den Bosch, maar toen ging het in de Europa-Cupfinale in België wéér fout. Sindsdien moet hij er niets meer van hebben.” Bondscoach Roelant Oltmans relativeert de strafballenangst van zijn spelverdeler. „Jeroen was nog een broekie, maar hij nam wél zijn verantwoordelijkheid. Bovendien heeft die verloren WK-finale ons uiteindelijk geen windeieren gelegd; het bleek de voorbode van veel successen.”

Onder toeziend oog van Oltmans speelde Delmee – door zijn ploeggenoten steevast ‘Del’ genoemd – gisteravond in Terrassa zijn 335ste interland voor de Nederlandse ploeg. Na afloop van de 1-1 tegen Australië werd de aanvoerder uitgeroepen tot Man of the Match. Breeduit grijnzend nam hij de bijbehorende trofee in ontvangst. Zaterdag, op de voorlaatste speeldag van de strijd om de Champions Trophy, streeft hij recordinternational Jacques Brinkman (337 caps) voorbij. Mits de jongste zoon van hockeycoach Harrie Delmee fit blijft. „Dat record doet hem stiekem wel wat, al is hij niet het type dat het van de daken roept”, weet Geeris, die zelf dit voorjaar zijn actieve loopbaan afsloot bij Royal Club Antwerp.

Delmee’s mijlpaal komt uitgerekend tot stand tegen Spanje. En dus tegen de coach met wie hij niet altijd even goed uit de voeten kon, toen die de leiding had bij het Nederlands elftal (1999-2000): Maurits Hendriks. „Maar onze relatie is de laatste jaren gegroeid”, zegt de laatste. „Zeker nu, zo tegen het einde van zijn carrière, is hij veel beschouwender geworden. Jeroen beseft aan welke dynamische teamprocessen wij destijds (bedoelt de interne strubbelingen ten tijde van de Spelen van 2000, red.) met z’n allen bloot stonden.”

Hendriks beschouwt Delmee als „een absolute vedette, en daarvoor hoef ik alleen maar naar zijn cv te verwijzen. Slechts de Europese titel ontbreekt op zijn erelijst, voor de rest is het alleen maar goud dat blinkt.” Het feit dat Delmee, goed voor één wereld- en twee olympische titels, destijds weigerde strafballen te nemen, noemt Hendriks „eerder een teken van kracht dan van zwakte. Jeroen was volstrekt helder: ik niet. Hij maakte zich niet groter dan hij was; een zakelijke inschatting van de feiten, dat is Jeroen.”

Geeris en Delmee groeiden beiden op in Boxtel. Beiden begonnen hun carrière bij de plaatselijke hockeyclub MEP, hetgeen staat voor Mea Est Pila (‘De bal is van mij’). Samen vertrokken ze naar Tilburg, samen stapten ze over naar Den Bosch. Zeven jaar geleden scheidden hun wegen, toen Geeris uitweek naar Oranje Zwart. „Als tiener was Jeroen een schuchter ventje. Tot zijn achttiende dronk hij geen alcohol. Dus als wij na afloop met een biertje aan de bar stonden, stond hij daar met een Speedy en een pakje kauwgom.”

Maar die bedeesde opstelling strookte niet met de talenten die de jongste Delmee op het veld etaleerde, weet Geeris. „Ik ben één jaar ouder dan Jeroen, maar het was al snel duidelijk dat hij meer in zijn mars had. Meer ook dan zijn drie jaar oudere broer Martijn, met wie ik veel optrok. Ik kon een aardig balletje slaan, maar Jeroen had meer inzicht dan ik. In de loop der jaren heeft hij die gave verder uitgewerkt. Toen hij achttien was, voorspelde ik dat hij aanvoerder van het Nederlands elftal zou worden. Vijf jaar geleden heb ik voorspeld dat hij ooit bondscoach wordt.”

Ook oud-clubgenoot Eric Verboom, tegenwoordig trainer-coach van Oranje Zwart, herinnert zich Delmee als „een heel gedreven menneke en een echt hockeydier, dat al op jonge leeftijd blijk gaf van organisatorische kwaliteiten”. Wie de gedrongen middenvelder over het veld ziet bewegen, begrijpt wat Verboom bedoelt. Rugnummer twaalf sleurt, stuurt en temporiseert. „Jeroen is de smeerolie van onze ploeg”, in de woorden van Oltmans. „Iemand die de machine aan de praat houdt, door voortdurend zijn mond open te doen, en anderen te sturen en te coachen; in vrijwel alles is hij mijn verlengstuk in het veld. Het mooie is: hij is nu 33, maar hij verbetert zich nog altijd. Dat tekent zijn klasse. Jeroen is een modelprof, iemand die heel goed weet wat hij doet, wat hij moet doen, en vooral weet wanneer hij het simpel moet houden.”

Maar wie kent de aanvoerder, die ruim twaalf jaar deel uitmaakt van de nationale selectie? „Jeroen is een onnavolgbaar goede hockeyer, misschien wel de beste die Nederland ooit heeft gehad, maar hij zou zich naar buiten toe af en toe beter kunnen presenteren”, zegt zijn voormalig coach bij Den Bosch, Toon Siepman, die wel een verklaring heeft voor Delmee’s geringe naamsbekendheid. „Pr bedrijven is niet zijn ding, hockey is voor hem het enige wat telt.” Geeris kan die woorden slechts beamen. „Ik bedoel het niet lullig, maar een beetje mediatraining had hem goed gedaan. Jeroen zegt hele rake dingen, en toch komen zijn woorden niet of nauwelijks over op tv. Hij blijft toch een beetje te Brabants mischien.”

Terwijl veel van zijn generatiegenoten de afgelopen jaren afhaakten, bleef Delmee de sport en de nationale ploeg trouw. Na de Spelen van 2004 bemiddelde Oltmans bij de bond om ervoor te zorgen dat zijn spelverdeler behouden bleef. In Den Bosch gebeurde hetzelfde, met een aan de club gelieerde onderneming die wordt geleid door drie spelers uit het eerste: Jeroen Delmee, Janneke Schopman en Marc van Wijk. Het bedrijf legt zich toe op de verkoop van geautomatiseerde steps (twee wielen), die zich voortbewegen op basis van de lichaamsbewegingen van de bestuurder.

Een jaar geleden verkondigde Delmee zijn interlandcarrière na het WK, over anderhalve maand in Mönchengladbach, te beëindigen. Maar zo zeker is dat niet meer. Zijn vader Harrie, de man die als een rode draad door de loopbaan van zijn zoon loopt en tot voor kort manager was van de nationale ploeg, werd onlangs ongeneeslijk ziek verklaard. „Jeroen is een liefhebber, en de ziekte van zijn vader heeft hem doen beseffen dat hij de dag moet plukken”, weet Verboom. „Werken kan hij altijd nog. Bovendien kan hij nog altijd met de besten mee, dus waarom zou hij stoppen?” Ook Oltmans houdt rekening met een verlengd verblijf van zijn regisseur op het middenveld. „De deur staat nadrukkelijk op een kier.”