Het gaat niet om God maar om de macht

Alle strijdende partijen in het Midden-Oosten beroepen zich op God.

Religie is een effectief mobilisatiemiddel, maar niet dé politieke drijfveer.

Arabische landen met een sunnitische meerderheid (Saoedi-Arabië, Jordanië en Egypte) blijven opvallend stil over het Israëlische offensief tegen Hezbollah, de shi’itische Partij van God, in buurland Libanon. Is die passiviteit ingegeven door anti-shi’itische sentimenten?

Nee, die heeft alles te maken met zorg over een mogelijke Iraanse hegemonie in de regio. Dat is geen religieuze kwestie, maar een zaak van geopolitiek.

Alle strijdende partijen in het Midden-Oosten beroepen zich op God. Daardoor ontstaat de indruk dat de conflicten in de regio godsdiensttwisten zijn: joden tegen moslims, moslims tegen christenen, shi’ieten tegen sunnieten. Deze conflicten draaien echter niet om theologische geschillen, maar om grondgebied en macht.

Arabische politici hebben de manipulatie van religie tot kunstvorm verheven. De seculiere Iraakse potentaat Saddam Hussein zeeg voor de tv-camera’s neer op een gebedskleed, als hij dacht daarmee de gunst van de islamitische wereld te winnen.

Religie is niet dé politieke drijfveer in het Midden-Oosten, maar wel een effectief mobilisatiemiddel. Religieuze meerderheden en minderheden zijn lang genoeg tegen elkaar uitgespeeld om onuitputtelijke reserves oud zeer aan te leggen. Machtsmisbruik en corruptie door seculiere politici hebben bovendien zulke vormen aangenomen dat religieuze partijen die dit aan de kaak stellen stemmen trekken. Zo kon in het Palestijns-Israëlische conflict, dat bij uitstek om grondgebied en niet om godsdienst draait, aan Palestijnse zijde een religieuze partij, Hamas, de fakkel overnemen van seculiere nationalisten van het type Arafat.

Een relatief nieuwe bron van geweld zijn de spanningen tussen sunnitische en shi’itische moslims. In Irak is een gruwelijke spiraal van wraak en weerwraak op gang gekomen. Het schisma tussen sunnieten en shi’ieten voltrok zich veertien eeuwen geleden in wat nu Irak is en draaide om de vraag wie de aangewezen persoon was om Mohammed op te volgen. De shi’a-i-Ali (Partij van Ali) meende dat de naaste familieleden van de profeet – lees: zijn neef en schoonzoon Ali – dat recht toekwam, voor sunnieten kan iedere moslim de opvolger van de profeet zijn. Maar de shi’ieten legden het af en dat ging gepaard met bloedvergieten. Shi’ieten zijn in Irak al eeuwen in de meerderheid, toch is het sinds die oude successieoorlog nooit meer zo uit de hand gelopen. Shi’ieten verwijten sunnitische Irakezen niet de gewelddadige dood van Ali en en zijn zoon Husein, veertien eeuwen geleden, maar hun steun voor het seculiere schrikbewind van Saddam, dat tienduizenden shi’ieten ombracht.

Extreme sunnieten als de wahabieten, van wie een handvol zich mengt in de Iraakse burgeroorlog, zien shi’ieten als ‘ongelovigen’. Maar de meeste Iraakse sunnieten zijn vooral bang voor een shi’itische meerderheid in een democratisch Irak. Dat is geen kwestie van religie, maar van macht.

Shi’ieten zijn met 40 procent de grootste religieuze minderheid in Libanon. Toch is Hezbollah niet representatief voor deze groep. Die beweging hangt de khomeinistische variant van de shi’a aan, die is gebaseerd op het beginsel velayat i-faqih (voogdij der rechtsgeleerden). Volgens deze doctrine, die werd onderwezen door ayatollah Khomeiny, mag een geestelijke die de goddelijke wet kent de natie regeren in afwachting van de Verborgen Imam (een messiaanse figuur en nazaat van Ali).

De meeste shi’ieten buiten Iran – maar ook een groep geestelijken in dat land – zien deze leer, de ideologische grondslag van de Islamitische Republiek Iran, als ketterij. Hezbollah zou deze theocratische staatsvorm graag kopiëren in Libanon, maar de meeste Libanese shi’ieten willen dat niet.

Als de Arabische buren bezwaren hebben tegen Hezbollah, gelden die niet de shi’a, maar deze flirt met Iran.

Meer over de islam: www.urbanislam.nl/islam/index2.html