Heerlijk! Europa!

Hebben de Fransen meer geschiedenis dan wij, of is het makkelijker je te interesseren voor de Franse geschiedenis? Vermoedelijk het laatste, ze hebben zo veel spectaculairs meegemaakt daar in Frankrijk en je kunt er daar ook nog zoveel van zien. Was even aan de Loire – wat een rijkdom. In het kasteel van Blois, op zichzelf al een wonder met zijn verschillende vleugels – een laat-middeleeuwse, een renaissancistische en een neo-classicistische – was een tentoonstelling over Frans I (1494-1515) ingericht, een koning die nogal tot de verbeelding spreekt, met zijn geweldige kop (die neus!), zijn renaissance-voorkeuren die nieuw waren destijds, zijn charmes, zijn krijgsverrichtingen. En zijn ontmoeting met Hendrik VIII natuurlijk, in dat geweldige tentenkamp, ‘camp du drap d’or’, waar Hendrik VIII volgens de historische romans die ik vroeger graag las, Anna Boleyn mee naartoe nam. Vonden die Fransen blijkbaar wat minder interessant, geen spoor van haar op de tentoonstelling en ook die vriendschappelijke ontmoeting met de grote Hendrik was uitsluitend op een paar etsen te zien. Wel zag je hoe lang François I tot de verbeelding van de Franse schilders bleef spreken, tot laat in de negentiende eeuw werden scènes uit zijn leven tot onderwerp van schilderijen genomen. Je herkent Frans steeds makkelijk, aan die neus.

En dan loop je daar in dat kasteel met zijn beschilderde muren, zijn monumentale trap, de hoge Franse paneeldeuren, de vensters die op de binnenplaats uitkijken, het vergoten bloed dat nog in de stenen moet zitten, heel die tumultueuze geschiedenis die ná Frans I nog kwam en je gelooft dat het heel vanzelfsprekend is dat zo’n kasteel er nog staat en in zo’n goede staat is, ja zelfs denk je wel even een boze Nederlandse gedachte van de mopperige soort over hoe ‘wij’ ‘altijd’ alles afbreken, en slordig omspringen met – mopperdemopper. Maar buiten op de binnenplaats hangt ergens een onopmerkelijk bordje dat de geschiedenis van de restauratie uit de doeken doet en daaruit blijkt dat het maar een haartje gescheeld had of het hele kasteel was in de negentiende eeuw met de grond gelijk gemaakt. Alleen omdat er soldaten in gelegerd waren is het gespaard gebleven, dankzij een wet die alle ‘kazernes’ tot staatsbezit verklaarde. Toen verscheen er op een dag zo’n onwaardeerlijk type dat álles weet over bouwgeschiedenis en geschiedenis algemeen en het kasteel van Blois in het bijzonder en die nam de leiding van de restauratie op zich. En waarlijk, er viel wat te restaureren, want soldaten zijn niet mals.

Enfin, zo scharrelt men wat door Frankrijk, zich verbazend en verheugend over elegant Amboise, sierlijk Chenonceau met zijn schitterende galerij over de Cher en zijn keukens boven het water, later nog naar de Berry met veel oudere middeleeuwse kasteeltjes die er uitzien als kastelen op plaatjes, met veel ronde torentjes en ronde puntdakjes erop. Gelogeerd in een twaalfde-eeuws klooster, althans in wat daarvan nog stond, onder een grote lindeboom ontbeten en naar de zware stenen van de voormalige stallen gekeken, naar de verdwenen zuilengangen waar lang geleden dagelijks sandalen overheen gelopen moeten hebben, waar de lofprijzing dag en nacht gaande werd gehouden – al die geschiedenis, waarom heb je dat toch zo graag?

En het is natuurlijk niet waar dat de geschiedenis in Frankrijk woont, thuis in Amsterdam lachen de zeventiende-eeuwse grachtenpanden je weer vanzelfsprekend toe met heel hun rijke koopmansverleden, in Friesland en Groningen laat je je hand over twaalfde-eeuwse kloostermoppen gaan, overal in het landschap zijn sporen te zien van vroegere waterlopen, eerdere dijken, oude buitens met lange geschiedenissen.

Het zal wel een deplorabel gebrek aan nieuwsgierigheid zijn, maar ik heb nooit zo’n zin om naar India te gaan of een ander heel ver land met diep onbekende cultuur, juist omdat het zo onbekend is. Sta je daar bij de Taj Mahal niets te begrijpen. Terwijl je je in de schaduw van een middeleeuwse stadsmuur zo thuis voelt. Zo Europees voelt. Hoe anders Frankrijk, Duitsland, Engeland, Oostenrijk en Griekenland ook zijn, er is altijd iets wat je wél kent. De verhalen, de mythen, de bouwstijlen, de vorstenhuizen (al die Habs-burgse kinnen), al weet je er niet alles van, het is een geschiedenis waar je in thuishoort.

Hoe vreselijk als die er niet zou zijn, dat zou pas echt ontheemding betekenen.

Er zijn trouwens gelegenheden te over waarbij je afvraagt hoe het mogelijk is, dat dit óók Europa is. Maar toch. In de zomer is de geschiedenis onder handbereik, je verdiept je geheel vrijwillig, je bent vanzelf een Europeaan, je leest de Europese literatuur want met vakantie moet je immers altijd veel lezen en het is zó makkelijk om te denken: wij horen bij elkaar.

Wij Europeanen. Wij en die onbegrijpelijke geschiedenis van ons, die ik niet goed ken, maar die ik daar voor me zie, in het portret van de mooie madame Dupin, kasteelvrouwe van Chenonceau en vriendin van Rousseau, Voltaire, Diderot, in de merkwaardige gargouilles in het restauratieatelier van Blois, in de kieren van de Abbaye de la Varennes, in de dakpannen van Lys St. Georges. We nemen een slokje wijn, ja Franse, we eten een plakje ruige droge worst en we doen net of we erbij mogen horen. Soms wil je er heel graag in geloven, in Europa.

Rectificatie / Gerectificeerd

In de column ‘Heerlijk! Europa!’ (Opiniepagina, 24 juli) staat dat de Franse koning Frans I regeerde van 1494 tot 1515. Hij was echter aan het bewind van 1515 tot 1547; 1494 is zijn geboortejaar. .