Eén wesp in de klas en weg is de aandacht

Al sinds de oprichting van het vmbo, zeven jaar terug, ligt dit schooltype onder vuur. Te veel problematische kinderen bij elkaar en het diploma is niks waard, aldus critici. Toch geloven leraren in de vmbo’ers. „Ze zeggen ‘fuck you’ als ze het oneens met je zijn, maar slaan al snel weer een arm om je heen.” Eerste deel van een serie over organisaties die onder vuur liggen.

Rood? Hoe durft hij!? Tien jongens rennen achter de scheidsrechter aan die net één van hun vrienden van het veld heeft gestuurd. Woedend stuiven ze met zijn allen naar de wedstrijdleiding die achter een tafeltje zit aan de rand van het veld. Ze roepen verontwaardigd dat de scheidsrechter ernaast zit, die op zijn beurt zegt: deze jongen schoffelde het standbeen van een tegenstander onderuit. „Maar hij wilde niet het veld uit. Dan hebben ze aan mij een verkeerde.” Hij heeft de wedstrijd gestaakt.

Sportdag voor de derdeklas van het vmbo Groningen Zuid. De sfeer is opgewonden; het is de dag na de WK-wedstrijd Nederland-Portugal, die eindigde met zestien gele en vier rode kaarten.

Het team van de weggestuurde jongen vecht vijf minuten lang de scheidsrechterlijke beslissing aan bij de wedstrijdleiding. De scheidsrechter bespreekt het tafereel met twee collega’s. „Het is jammer dat dit nog gebeurt”, zegt een van hen. Nee, zo leren ze juist hun grenzen kennen, zegt de ander. „Ze accepteren geen autoriteit, maar nu moeten ze wel.”

Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) bestaat sinds 1999 en lag van meet af aan onder vuur. Het is een samenvoeging van de vroegere mavo en het vbo (voorbereidend beroepsonderwijs). Daarmee ontstond een schooltype dat nadrukkelijk werd losgeweekt van het havo en vwo. Bedoeld om kinderen die niet geschikt zijn voor het hoger onderwijs op te leiden voor traditionele beroepen als elektricien, bakker of schoonheidsspecialiste. Zestig procent van alle leerlingen zit op het vmbo.

Maar met alleen een vmbo-diploma op zak zijn ze er nog niet. In de huidige arbeidsmarkt is dat weinig waard; ze moeten daarna nog twee jaar mbo volgen of doorstromen naar de havo. Dát maakt het schooltype niet erg aantrekkelijk. Bovendien zitten op het vmbo relatief veel kinderen bij elkaar met weinig belangstelling voor school. Of , zoals de leraren het uitdrukken, een aandachtsspanne van hooguit enkele minuten. En dát is besmettelijk, vrezen ambitieuze ouders.

Zeven jaar geleden, toen het vmbo ontstond, was een deel van de leraren volgens locatiemanager Jan Hink op het vmbo Groningen Zuid „nogal ontstemd” over het nieuwe schooltype. In de lerarenkamer was sprake van een mopperhoekje. Sommige leraren, zegt Hink, voornamelijk zij die op de mavo hadden lesgegeven, vonden dat het vmbo een devaluatie van hun vak veroorzaakte. Ineens moesten ze ook lesgeven aan kinderen die liever met hun handen dan met hun hoofd bezig zijn.

Hoewel het mopperhoekje niet meer bestaat, is de combinatie van theorie- en praktijkleerlingen op één schooltype voor de buitenwacht nog altijd problematisch. Bijvoorbeeld voor ouders van kinderen die naar de theoretische leerweg (tl, het hoogste vmbo-niveau) gaan. Die zien liever dat hun zoon of dochter naar de havo gaat en niet in één gebouw met ‘beroepsgerichte’ leerlingen terechtkomt. Leerlingen die het tot automonteur of loodgieter zullen schoppen. Allesbehalve studiebollen. „Dikke onzin”, noemt Hink die bezwaren. „Die combinatie vormt geen probleem. Maar overtuig die ouders daar maar eens van.”

Groningen Zuid is een samenwerkingsverband tussen het Noorderpoortcollege en het Zernike College. Op deze locatie zitten alleen derde- en vierdeklassers. Op Groningen Zuid is ongeveer een op de vijf leerlingen allochtoon.

Hink, die leraar Engels is, heeft jarenlang lesgegeven op het vwo. Zes jaar geleden besloot hij de overstap naar het vmbo te maken. „Ik kreeg genoeg van lesgeven aan getalenteerde kinderen”, zegt hij. „Ik wilde graag naar het vmbo, ook om allround te zijn. Bovendien is er vraag naar leraren.”

Het vmbo, dat is toch het afvalputje van de samenleving? Nee, zeggen de leraren. Ze moeten voortdurend vechten tegen die „vooroordelen”. Hink – een gemoedelijke, boomlange man – kan er kwaad van worden. We horen al jaren dat ze dommer worden, zegt hij. „Er zijn fluctuaties, natuurlijk. Sommige vakken zijn het afgelopen decennium aantoonbaar gemakkelijker geworden.” Maar de niveaudaling geldt niet voor alle vakken, zegt Hink. „De beschaving is heus niet tweeduizend jaar lang achteruit gekacheld.”

Leraar Nederlands Will Haan, die al decennia in het vak zit, vindt dat er de afgelopen tien jaar „te veel veranderingen” zijn doorgevoerd. Hij somt op: het vmbo is ontstaan, de basisvorming werd ingevoerd (en afgeschaft), het nieuwe leren deed zijn intrede en veel middelbare scholen fuseerden tot enorme ‘leerfabrieken’. Elke verandering was op zichzelf te overzien, zegt hij. „Maar de combinatie was funest.”

Het nieuwe leren is volgens hem het probleem niet. Die mening deelt hij met de meeste van zijn collega’s: klassikale lessen, met leerlingen die het hele lesuur naar de leraar moeten luisteren, zijn uit de tijd. Haan: „Bij Nederlands moeten ze leren om zich uit te drukken en zich te presenteren. Dat is goed. Maar ik vind nog steeds dat een leerling ook moet kunnen spellen.”

Op een donderdag geeft Bennie Gast, een van de jonge leraren, de hele ochtend les aan een klas met leerlingen van de basisberoepsgerichte leerweg (het laagste vmbo-niveau), sector handel en verkoop. De klas bestaat uit niet meer dan tien leerlingen. De Sp!ts ligt op tafel. Om de nek van een jongen hangt een koptelefoon waaruit hiphopmuziek klinkt. Een andere jongen sabbelt op een lolly. Gast begint de les altijd met een klassikaal gesprek, „om ze op gang te brengen”. Hij vertelt over een klant van een snackbar die koude patat mee naar huis kreeg en over een dronken kroegbezoeker. De leerlingen bespreken wat zij zouden hebben gedaan als ze achter de toonbank of achter de tap hadden gestaan. Gast: „Wie van jullie is er wel eens zó dronken geweest dat hij zich niets meer van de avond kon herinneren?” Niemand antwoordt bevestigend, maar Gast heeft een levendige discussie op gang gebracht.

Deze leerlingen hebben geen vaste lesindeling – op een gegeven moment moeten ze alle verschillende opdrachten af hebben, maar ze mogen in grote lijnen zelf bepalen in welke volgorde ze werken. Sommige leerlingen hebben een kassatoets. Dat betekent dat ze moeten weten hoe ze een bepaalde kassa moeten bedienen. Anderen zijn piepschuimen vruchten aan het maken, om een etalage mee in te richten. Of ze maken een bord ‘Aanbieding Diesel jeans’.

Gast noemt het „essentieel” dat de groep klein is. Doorgaans kunnen ze zich slecht concentreren, met een aandachtsspanne van een paar minuten. Gast: „Ze hebben gewoon extra aandacht nodig. Voor deze klas is kennis niet zo belangrijk. Het is belangrijker dat ze leren samenwerken.”

Op het gebrek aan concentratie komt een aantal leraren terug. Proefwerken kunnen niet ’s middags worden gegeven, dan zijn de leerlingen er niet meer bij met hun hoofd. En als er een wesp door de klas vliegt, is alle aandacht weg.

Maar de meeste leraren spreken ook met liefde over hun „kids”. Je kunt een beetje met hen spelen, zegt bijvoorbeeld de leraar die scheidsrechter was op de sportdag. „Het zijn de leukste kinderen die er zijn.” Je moet heel duidelijk en consequent tegen deze kinderen zijn, zegt hij. En niet te snel geschokt. „Ze zeggen ‘fuck you’ als ze het niet met je eens zijn, maar even later slaan ze weer een arm om je heen.”

Will Haan is behalve leraar Nederlands ook zorgcoördinator. Hij beseft welke rol de school speelt in de ontwikkeling van de leerlingen. Haan: „Dat geldt helemaal voor kinderen met problemen thuis. School is voor hen vaak de enige plek waar het veilig is en waar ze gelukkig kunnen zijn.” Als zorgcoördinator heeft Haan voor iedere leerling een einddoel: het diploma. „Dan realiseren ze zich: ik heb iets gehaald, ik kan iets!” Hoewel Haan de meest uiteenlopende problemen aan zich voorbij ziet trekken, onderstreept hij dat 85 tot 90 procent van de kinderen „probleemloos” door het vmbo loopt. In steden als Amsterdam eindigt echter zestig procent van de vmbo’ers zijn schoolcarrière zonder diploma of met hooguit het vmbo-diploma, wat hun kansen op de arbeidsmarkt minimaliseert.

Een kb-klas (kaderberoepsgerichte leerweg, het middelste vmbo-niveau), sector handel en administratie, zit op kantoor. Een echt kantoor, met bureaus, kasten en een receptie. Nagebouwd in een klaslokaal. Bij toerbeurt hebben de leerlingen kantoordiensten: ze vormen de afdeling inkoop of facturering, of ze zijn de receptionist. Leraar Piet Glastra van Loon is trots op de nagebouwde kantooromgeving. Dit is het mooiste lesgeven, zegt hij. „Heel concreet, ze steken er meer van op dan als ik voor de klas een praatje houd.”

Rowena (15), een goedlachs, donker meisje, heeft voor de richting kantoor gekozen. Ze wil later een eigen bedrijf, liefst een kledingwinkel. „Daarom vind ik dit leuk. Ik kan ook een bijbaantje als verkoopster nemen, maar ik wil meer.”

Wessel (16) heeft minder bewust voor kantoor gekozen. Hij wil later de persoonsbeveiliging in, of bij de landmacht. „Eerst wilde ik liever bij de politie, dan had ik na mbo-beveiliging naar de politieacademie gekund. Daarom heb ik op het vmbo de richting kantoor gekozen, dat was het breedst.”

Het grootste probleem van het vmbo is volgens de leraren het imago. Will Haan: „Het vmbo is ingevoerd om het voorbereidend beroepsonderwijs, de huidige basisberoepsgerichte leerweg, op te trekken. Dat kreeg een steeds negatiever imago. Vroeger was het heel respectabel om te leren voor loodgieter of monteur. Nu gaat de aandacht niet uit naar wat de leerlingen wel kunnen, namelijk een vak leren, maar naar wat ze niet kunnen, bijvoorbeeld spellen.”

En dat negatieve imago is overgeslagen op het hele vmbo, zegt Haan. „In het oude systeem was het vbo het laagste schooltype. Nu is dat het vmbo. Het hele vmbo krijgt het zwaar te verduren. Daardoor krijg je scholen die het tl-niveau weer ‘mavo’ gaan noemen, zoals het tot zeven jaar geleden ook heette. Dat zou beter vallen bij de ouders. Toch zijn er weinig tot geen problemen met de theoretische leerweg.”

Gevolg van het slechte imago is dat ouders hun kind niet willen opzadelen met het vmbo. Het schooltype staat in groep acht van de basisschool steevast onderaan het verlanglijstje, zegt Haan. „Je zou er niets leren, je zou er niets mee kunnen en er zou sprake zijn van veel drugs en geweld.” En dat terwijl er op Groningen Zuid niet méér incidenten zijn dan op een willekeurige havo, aldus Haan. „En wat je ermee kunt? Mensen hebben geen idéé wat je allemaal kunt met de vervólgopleiding, het mbo.”

Toch is het zo dat de overheid het vmbo-diploma niet meer beschouwt als ‘startkwalificatie’ voor de arbeidsmarkt. Leerlingen moeten ten minste een mbo-diploma op niveau 2 of een havo-diploma hebben voordat ze officieel zijn uitgeleerd. Dick Bruin, teamleider van de sector handel, betreurt dat. Vroeger kon men zijn middenstandserkenning halen na vier jaar middelbare school. Bruin: „Ik vind dat mensen weer om pósitieve redenen voor het vmbo moeten kiezen, in plaats van ‘er is niets beters’.”

In de mediatheek van Groningen Zuid zitten Marjolein (14), Samantha (14) en Ben (15). Zij horen andere kinderen, van het vwo bijvoorbeeld, wel eens negatief doen over het vmbo. „Dan houd ik me maar stil”, zegt Marjolein. Ben: „Maar zij doen zo overdreven. Ze gebruiken moeilijke woorden, zoals ‘psychologie’.” Ze zitten haar de hele tijd te verbeteren, vult Samantha aan. Ze hebben meer lol op het vmbo, zegt Ben. „Zij hebben lol ingeruild voor verstand.”