Een lied uit de steentijd

Op de laatste dag van de Tour de France, zo tussen half vijf en vijf, denk ik altijd even aan een oude slijpsteen. Hij stond in een verloren hoek op het erf van de boerderij van mijn oom en tante, in een boomgaardje, samen met nog wat ander afgedankt gereedschap. Op lome zondagmiddagen zocht ik hem altijd even op, samen met wat rondscharrelende kippen in het hoge droge gras dat zo mooi ritselde. Boven mij ging de wind zachtjes door de bomen. Soms kwam ook de poes voorbij, nieuwsgierig. Ik zag veel in die slijpsteen, met zijn verroeste zwengel. Langzaam liet ik de oude steen rondgaan, draaiend als een orgelman, en verbeeldde mij dat ik er zo een oeroud lied uit kon wringen. Een lied uit de steentijd.

Zo merkte ik niet dat er een auto met grote snelheid het erf op was komen rijden. Hij stopte abrupt en er kwam een man uit die driftig naar de boerderij rende en op het grote keukenraam begon te bonken en te schreeuwen in de grote stille zondagmiddagrust: „Jan Janssen heeft de Tour gewonnen! Jan Janssen heeft de Tour gewonnen!” En, omdat ze hem daarbinnen niet goed verstonden, nog maar eens, nog harder: „Jan Janssen heeft de Tour gewonnen!” Ik kon het, vanuit mijn boomgaardje, allemaal heel goed verstaan, maar mijn verbijstering was er niet minder om. Wie was Jan Janssen? Wat was de Tour? Wie was deze overspannen man die zomaar in onze steentijd was komen binnenvallen? En, meest verbijsterend: waarom huilde hij?

Inmiddels weet ik dat deze scène zich moet hebben afgespeeld op 21 juli 1968. Ik weet nu ook dat deze man niet de enige was die toen in tranen uitbarstte. De Tour eindigde dat jaar met een tijdrit, met aankomst op de Champs Elysées in Parijs. Op de allerlaatste dag had Jan Janssen een achterstand van 16 seconden op de Belg Herman Vanspringel weten om te buigen in een voorsprong van 38 seconden. Nooit eerder was het verschil tussen nummer 1 en 2 na drie weken fietsen zo klein geweest. Het was te begrijpen dat er een grote last van de schouders van de wielrenner viel, toen tot hem doordrong dat Vanspringel hem niet had weten voor te blijven. En hij liet zijn tranen de vrije loop. „Daar staat Jan te huilen, als een kleine jongen”, merkte radioverslaggever Theo Koomen op, zelf ook altijd het huilen nabij. Op tv had iedereen het kunnen zien: in zwart-wit biggelden de tranen over zijn wangen.

Ik had voor het eerst gezien dat volwassen mannen ook konden huilen, zowel op de Champs Elysées als in Stepelo. Ik vatte het maar op als een teken van inwijding. Het was nu tijd om de boomgaard te verlaten en iets nuttigs te gaan doen met mijn leven: het dromen bij de slijpsteen verruilde ik voor het aandachtig volgen van de Tour.

De ontknoping van de Tour van 1968 is alleen te vergelijken met die van 1989. De Fransman Laurent Fignon verspeelde toen in de afsluitende tijdrit een ruime voorsprong. Na drie weken en 3.285 kilometer fietsen kwam hij acht seconden te kort op Greg LeMond. Er moet toen nog meer gehuild zijn, en op keukenramen gebonsd dan in 1968 – nu van verdriet en ellende. Aart Aarsbergen en Peter Nijssen over de verslagen Fignon op die slotdag, zo tussen half vijf en vijf uur: „Zittend op de kinderkopjes van de Champs Elysées huilde hij bittere tranen.”

Wilfried de Jong is met vakantie. Guus Middag vervangt hem.