Een afvalrace vol spektakel

Iedereen keek uit naar een spannende, ‘open’ Tour zonder Lance Armstrong.

Het kwam uit, al waren sommige favorieten voor de eindzege wel heel snel weg.

De Tour de France als afvalrace. Zelden is een cliché zo van toepassing geweest als op de 93ste aflevering van de Tour. Oprichter Henri Desgrange van de Ronde kan tevreden zijn over de editie van 2006. „De ideale Tour is er een waarin maar één renner de finish haalt”, zei hij al in de eerste helft van de vorige eeuw.

Van de grote favorieten bleven er in Parijs in elk geval heel weinig over. Van de vooraf genoemde namen waren alleen Floyd Landis, Levi Leipheimer, Denis Mentsjov en George Hincapie tot het laatst actief. De grote lijst uitvallers maakte ruimte voor anderen: wie in zijn Tourtoto had voorspeld dat Oscar Pereiro Sio de meeste gele truien zou behalen, mag een jaar lang een echte kenner worden genoemd. Of een grote gokker.

Eén dag voor de proloog in Straatsburg konden twee potentiële winnaars al naar huis. Ivan Basso en Jan Ullrich werden door hun ploeg geschorst nadat zij genoemd waren als klanten van de Spaanse ‘dopingarts’ Eufemiano Fuentes. In hun spoor vertrokken Francisco Mancebo en het volledige team van Alexander Vinokoerov die ook zijn zinnen had gezet op een Tourzege. En toen moest het fietsen nog beginnen.

De Tour van dit jaar zou ‘open’ zijn door de afwezigheid van zevenvoudig winnaar Lance Armstrong. Het was aanvankelijk positief bedoeld, maar toen bijna elke etappe tot verrassingen leidde en bijvoorbeeld Pereiro een half uur kon inlopen op de gele trui, begonnen volgers langzaamaan te verlangen naar de controle van Armstrongs Discovery-ploeg. Saai was het toen wel eens, maar je wist wel zo’n beetje wat er ging gebeuren. De gele trui veranderde dit jaar in 21 dagen tien maal van eigenaar.

Ploegleiders worstelden met de strategie. John Lelangue van Landis’ ploeg nam een gecalculeerd risico door Pereiro in de etappe naar Montélimar de gele trui te schenken: de voorsprong op Landis mocht niet meer dan anderhalve minuut worden, want dat verschil zou hij gemakkelijk weer inhalen. Dat deed hij inderdaad een week later, maar zijn jour sans naar Morzine gooide roet in het eten. Plotseling stond Pereiro weer in het geel.

Opportunisme kwam niet altijd goed uit. CSC en T-Mobile maakten één dag na Landis’ inzinking een beslissende fout. In de achtervolging op Landis lieten zij eerst het vuile werk opknappen door Pereiro’s ploeg Caisse d’Epargne. Pas toen Landis in zijn ongelofelijke solovlucht op meer dan negen minuten voorsprong kwam, namen de teams van Carlos Sastre en Andreas Klöden hun verantwoordelijkheid. Te laat, zo bleek dit weekeinde. Op zaterdag tijdens de tijdrit kon Landis de trekker overhalen en dat scenario was drie dagen eerder – toen hij op een elfde plaats stond met ruim acht minuten achterstand – ondenkbaar geweest. Terecht noemde de vertrekkende Tour-directeur Leblanc de vlucht „een van de beste prestaties in de moderne geschiedenis van de Tour”. Maar het gebeurde wel dankzij het afwachtende rijden door de concurrentie, gaf ook ploegleider Bjarne Riis (CSC) later toe.

Na het wegvallen van de volledige topvijf uit 2005 (Armstrong, Basso, Ullrich, Vinokoerov, Mancebo) kon de sportieve afvalrace beginnen. Valverde brak zijn sleutelbeen, Julich zijn hand, Leipheimer verspeelde zijn Tour door een uiterst zwakke eerste tijdrit te rijden en in de eerste helft van de Tour zakte ook de hele Discovery-ploeg door het ijs. Ploegleider Johan Bruyneel leek met renners als Hincapie, Savoldelli en Popovitsj een serieuze gooi naar het podium te kunnen doen. In Parijs bleek Azevedo op 38 minuten de best geklasseerde (19de) coureur te zijn.

Naast winnaar Landis ontpopten de superknechten zich als potentiële kanshebbers. Juist de beschadigde ploegen CSC (Basso) en T-Mobile (Ullrich, Sevilla) bleken met Carlos Sastre en Andreas Klöden serieuze kanshebbers voor het podium te hebben. Pereiro mocht voor zijn eigen kansen gaan, nadat kopman Valverde al in de etappe naar Valkenburg was uitgevallen. Juist de ploegen die vóór de start het hardst waren getroffen, bleken het in deze Tour uitstekend te doen. T-Mobile – met slechts zeven man aan de start – won het ploegenklassement, met CSC op een tweede plaats.

Van de overgebleven kopmannen was Landis veruit de sterkste. De Australiër Cadel Evans (Davitamon) en Denis Mentsjov (Rabo) reden goed, maar kenden geen superdag die nodig is om het verschil te maken. Uiteindelijk kwamen ze respectievelijk ruim vijf en zeven minuten te kort.

Ondanks de geruchtmakende start bleek het verloop van de Tour ongekend interessant. De eerste week leverde schitterende sprintzeges op: alleen de geblesseerde Alessandro Petacchi ontbrak in Frankrijk waardoor elke aankomst voor spektakel zorgde. Met een terechte winnaar van de groene trui, want de Australiër Robbie McEwen toonde zich de beste sprinter. Grote verliezer was wereldkampioen Tom Boonen die weliswaar vier dagen in het geel rondreed, maar geen enkele dagzege behaalde.

Na drie weken en ruim 3.600 kilometer blijft er nog altijd één vraag onbeantwoord. Hoe sterk zou Landis zich hebben getoond te midden van de geschorste favorieten Basso en Ullrich? Ondanks alle strijd, spektakel en een terechte winnaar in Parijs blijft het onbevredigend dat die vraag in het eerste jaar ‘na Armstrong’ onbeantwoord blijft.