De officier van justitie

Jonge Jakartanen vertellen over alledaagse sores en de toekomst. Vandaag: de officier van justitie.

Imelda Pardede Foto Ahmad deNy Salman
Imelda Pardede Foto Ahmad deNy Salman Salman, Ahmad deNy

Het is een gezellige boel in de rechtbank van Zuid-Jakarta. Achterin hangen de verdachten tegen het traliewerk en kletsen wat met de familie. Letterlijker kun je niet in aanraking komen met justitie.

Vóórin zijn de rechtszaken gaande, in half open zaaltjes. Op de publieke tribune zit iedereen te kletsen, mobieltjes gaan af. Voorbij het hekje lijkt het een onderonsje tussen rechters, officier en een paar getuigen – ze verstaan op deze manier alleen elkaar.

Het stoort Imelda Pardede – de officier van justitie – in het geheel niet. Wat ze tevoren had gezegd, blijkt ook nu ze over haar bruine justitie-uniform de zwarte toga met het witte befje heeft aangetrokken en nu ze met bewijsstukken in de weer is. „Ik ben altijd helemaal geconcentreerd op de zaak.” Ze praat onverstoorbaar tegen de rechter en stelt de twee getuigen vriendelijk en vastberaden een viertal vragen. Haar royale damestas staat voor haar op het bureau. Pontificaal.

Het is haar tweede zaak vandaag, hierna volgt er nog één. Dan is het vijf uur en zit de dag er voor haar op.

Imelda is 32 jaar en doet dit werk nu vijf jaar. Rechten heeft ze gestudeerd thuis, op Kalimantan, met ook nog één semester rechtstermen uit het Nederlands, want dat is verplicht. „Requisitor”, zegt, ze, „arrest, pleidooi”.

De jongeman in het verdachtenbankje is keurig geknipt en fris gekleed, gesteven wit overhemd. Als je hem zo ziet en hoort dan is het hem zelf ook nog een raadsel wat in hem is gevaren, toen hij de twee heren links van hem hun geld op straat afhandig maakte. „Maar verkijk je daar niet op”, zegt Imelda, en ze haalt de bewijsstukken tevoorschijn, extravagante kleding die de verdachte met dat gestolen geld vervolgens voor zichzelf had gekocht. Inderdaad, dat zet onze verdachte in een ongunstiger daglicht en die weet op dat moment ook niets anders meer te verzinnen dan naar de grond voor hem te gaan staren.

„Ze doen hier vaak zielig, daar moet je doorheen kijken”, zegt Imelda na afloop.

Rechtbanken zijn van die plekken waar hier het woord ‘corruptie’ nogal eens valt. Daar wil ze het niet over hebben, maar ze is het ermee eens dat rechters veel te weinig verdienen. Zo’n 300 euro per maand – daar valt dat beetje decorum wat erbij hoort nauwelijks mee overeind te houden.

Zelf verdient ze 160 euro per maand. Daarvoor werkt ze vijf dagen per week, 49 weken per jaar. Ze heeft een zoontje van vier.

Meestal blijft ze thuis, als ze vrij is. Ze kijkt graag naar actiefilms en, zo zegt ze giechelend, naar L.A. Law. Haar man heeft een kantoorbaantje. „Nee, hij vond het goed dat ik bleef werken, als ik maar voor ons kind zou zorgen.” Plannen? Ze wil hogerop in de staande magistratuur, „een hogere rang, grotere zaken”. En ze wil ondanks alle drukte nog een kind: „Als ik ervoor zorg, vindt mijn man het goed.”

Ironisch bedoelt Imelda dat niet, al lacht ze bij deze ontboezeming zo aanstekelijk dat ze vanaf de publieke tribune een zaaltje verder allemaal eens rustig achterom kijken.

Dit is het tiende en laatste deel van een serie.