De lelijke stad als speelplaats

Street art bloeit in de steden en is nu te zien in het GEM.

Maar wat blijft er over als je street art van de straat haalt?

Super A: ‘Throw up Playground’ (2005), acryl op canvas, 120 bij 80 cm.
Super A: ‘Throw up Playground’ (2005), acryl op canvas, 120 bij 80 cm. GEM

De straat als galerie, laboratorium, speelplaats, schildersdoek. Dat is de essentie van street art. Deze kunstvorm kan alles omvatten: stickers, sjablonen, wandschilderingen, gespoten boodschappen en objecten, zolang ze maar zijn aangebracht in de openbare ruimte, en er een dialoog mee aangaan. Street art ontstond in de jaren zeventig en tachtig in de punkbeweging en de graffitiscene, en maakt recentelijk in grote steden een enorme bloei door. In de stad gedijt de kunst het best, door de anonimiteit aldaar – het toe-eigenen van de openbare ruimte is immers illegaal – en de uitnodigende lelijkheid van veel steden. Maar nu heeft het beste uit de hedendaagse Nederlandse street art voor even onderdak gevonden in het GEM, Haags museum voor actuele kunst, op de expositie Dutch Masters, Street Art & Urban Painting.

Of eigenlijk: de makers hebben er onderdak gevonden. Want street art in een museum, dat is natuurlijk een contradictie. En dus zien we bij Dutch Masters buiten wat straatwerk, maar binnen vooral ook veel ander werk van de vertegenwoordigde kunstenaars. Behalve dat zij vrijwillig waken over de stedelijke welstand, werken ze immers ook vaak als grafisch ontwerper, vormgever, illustrator of autonoom kunstenaar.

Hoewel street art zich grotendeels aan het oog van de gevestigde kunstwereld onttrekt, hebben veel van de aanwezige kunstenaars wel een gedegen kunstopleiding genoten. Met hun werk manifesteren ze zich in tijdschriften, op flyers, op internet en zelfs – met logo’s, decors, animatie, videoclips en reclames – op tv. Doordat hun ‘urban’ stijl bij jongeren populair is, wordt hun werk gretig gebruikt of nagebootst door grote merken als Nike, Adidas en MTV. Zo bepalen ze mede de beeldcultuur van vandaag. Curator Peter van Rhoon: „Hun toegepaste kunst is wat we overal zien. Deze expositie toont nu eens hun andere, autonome kant.”

Doordat de deelnemers zo divers zijn, is het een bonte, vrolijke en veelzijdige expositie geworden. Materialen, stijlen en techniek variëren: de een werkt schetsmatig, de ander trekt trefzekere, strakke, dikke zwarte lijnen. Troetelbeertjes-achtige onschuld wordt afgewisseld met pikzwarte pornografische humor. Kalligrafie staat naast graffiti, 3D-objecten concurreren met installaties, filmpjes met schilderijen. Stefan, alias Super A, vat de veelzijdigheid van de expositie geestig samen in het werk Untitled (2005): een ingelijst stuk bakstenen muur waarop nog een flard van een graffiti-piece is te zien.

Super A en Bfree zijn de onschuldigsten op de expositie. Bfree creëert zijn eigen vreemde, vrolijke wereld van koddige, kleurige wezentjes die doen denken aan Barbapapa en andere ongevaarlijke tekenfilmfiguurtjes. Hier zijn ze alleen net iets minder glad en gestileerd, en pronken ze op prenten waar zoveel op gebeurt dat je er eindeloos naar kunt kijken. Zijn werk is in letterlijke zin gelaagd: over de verf komt graffiti en daaroverheen weer kalligrafie.

Ook Super A heeft een afwijkend universum geschapen. In de beste graffiti-traditie spelen bij hem letters een belangrijke rol. Levende letters, welteverstaan: vrolijk gekleurde figuurtjes met armpjes en beentjes die huizen in een elektriciteitskast. In zijn werk waarschuwt Super A voor het welzijn van zijn figuurtjes. Letters worden ze in hun voortbestaan bedreigd: graffiti, street art; overheden zien ze vaak het liefst zo gauw mogelijk weer uit het straatbeeld verdwijnen. Zo zegt Super A iets over het meest voor de hand liggende aspect van street art: de vergankelijkheid. Met dat thema speelt ook het gelauwerde kunstenaarsduo outoforder (David Louf en Yves van Asten). Zij maken sinds 2000 samen prijswinnend webdesign, zijn vormgever en vj bij Paradiso en werken in opdracht van Nike. Dutch Masters toont van hen een video waarop te zien is hoe ze een grote wandschildering maken. Dat gaat improviserend: er wordt niets afgesproken, niets overlegd, de een maakt simpelweg de aanzet van de ander af of gaat door op volstrekt andere voet. Het levert een verrassend, speels, en toch organisch geheel op van niet altijd goed te identificeren vormen: rondingen, krullen, letters. Op de video is vervolgens te zien hoe outoforder hun kunstwerk na voltooiing met rollers dikke witte verf weer wegwerkt. Louf en van Asten begonnen hun loopbaan met graffiti, en misschien dat ze zich daarom zo bewust zijn van de tijdelijkheid van street art. Maar gelukkig voor hen, en voor Super A, valt die vergankelijkheid tegenwoordig vaak wel mee. Gemeenten geven zelfs vaak opdracht voor graffiti of een wandschildering.

Via Via (Lennard Schuurmans, Darrin Umboh en Simon Buys) werkt vaak in opdracht van gemeenten. In hun kleurrijke, fantasievolle werk figureren vreemde sprookjeswezens. Ook die ontstaan door improvisatie. Schuurmans: „Dan begint Darrin met een figuur, en ik maak er een paard van, terwijl hij misschien een wolk bedoelde.” De aantrekkingskracht van het werken op straat zit voor Schuurmans in de zichtbaarheid. „Ik vind het leuk om door mijn werk te kunnen lopen.” Schuurmans is een streetartist pur sang: overal in de stad ziet hij mogelijkheden voor verfraaiing, of een grapje. „Dan zie ik een flatgebouw, en denk: als ik daar een mond teken wordt het net een gezichtje.” Op Dutch Masters maakt Via Via een kunstwerk-in-ontwikkeling: een nu nog onvoltooide fantasiejungle, die elke week, als Schuurmans even langsgaat, weer een stukje verder aangroeit. „Net als de stad, die is ook altijd in ontwikkeling.”

De stad is een tweede, veelvoorkomend thema op de groepsexpositie. Morcky spoot een swingende, zwarte stad op doek, geheel opgebouwd uit speakers. En ‘urban architect’ Bob Gibson en Chaz van The London Police ontwierpen een wit kartonnen ministad, waarin elke deelnemer aan de expositie werd uitgenodigd zijn signatuur te plaatsen. Zo zijn de witte wanden realiteitsgetrouw gesierd met kleurrijke krabbels.

De exposerende kunstenaars werden allen geboren tussen 1971 en 1981, en behoren aldus tot de jongste generatie street artists. Kenmerkend is hun frisheid, hun humor, hun onbedorvenheid. Brutaal mixen ze materialen, citeren logo’s, imiteren en parodiëren. Verfrissend is ook hun onconventionele opvatting van ‘kunst’. Ze begeven zich probleemloos op de scheidslijn tussen goede en slechte smaak, hoge en lage cultuur, artisticiteit en commercialiteit. Peter van Rhoon: „Ja, een deel van deze kunstenaars combineert ongestraft autonoom en zeer commercieel werk. Maar waarom ook niet? Als je vrije werk goed genoeg is, verwijt heus niemand je dat commerciële succes.”

Zo laveren deze ‘Dutch Masters’ vrolijk tussen opportunisme en idealisme. Juist door hun commerciële klussen hóéven ze geen torenhoge prijzen te vragen voor hun autonome werk. En ze worden doorgaans evenmin gerepresenteerd door een gehaaide galerie die de prijzen opdrijft. „Bovendien”, zegt Marie-Jose Raven van het GEM, „ze geven een deel van hun werk gratis weg op straat, voor iedereen toegankelijk; superdemocratisch.” Maar naar goed gebruik zijn in de museumwinkel van veel artiesten wel tijdelijk hippe hebbedingetjes te koop.

Dutch Masters. T/m 8 oktober in het GEM, Den Haag. www.gem-online.nl