Vaarwel, beschaafde wereld

De Eerste Wereldoorlog is wel de ‘literaire oorlog’ genoemd – zo veel is erover geschreven. Toch verschijnen er nog steeds nieuwe boeken die de chaos en verwarring van de ‘killing fields’ vlijmscherp in kaart brengen.

Koen Koch: De Slag van de Somme 1916. Anthos/Manteau, 215 blz. € 19,95

Lyn Macdonald: 1915. Het verlies van de onschuld. Vertaald uit het Engels door Iris den Hollander en Eisso Post. Anthos/Manteau, 643 blz. € 34,95

A. P. Herbert: De verborgen strijd. Vertaald uit het Engels door Fons Oltheten. Vorroux, 240 blz. € 26,–

Edmund Blunden: Oorlogsgedruis. Vertaald uit het Engels door Irving Pardoen en Meindert Burger. Oorlogsdomein. De Arbeiderspers, 359 blz. € 23,95

De oorlog had gewonnen, en zou blijven winnen. Dat schreef Edmund Blunden, auteur van onder meer Undertones of War, over de eerste dag van de slag bij de Somme. Zestigduizend Britse slachtoffers, gewond, vermist of dood, eiste die desastreuze eerste dag. Zestigduizend jongens, vermorzeld bij de botsing tussen 19de-eeuwse militair-strategische opvattingen, en 20ste-eeuwse oorlogsmachinerie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de techniek de mens steeds een stap voor. De Duitsers verrasten de Britten volkomen met de inzet van het verboden middel gifgas in 1915; een adequate bescherming was nog niet ontworpen. De Britten introduceerden de tank bij de Somme, maar de Duitsers zagen de vervaarlijk ogende moordmachine vastlopen in de modder. De Duitsers op hun beurt zetten ‘vloeibaar vuur’ in: de vlammenwerper. Die bleek uiterst efficiënt.

Ook de efficiëntie van het machinegeweer in de loopgraven is bekend. De Britse legerleiding wist haar militaire strategie maar moeizaam aan te passen aan dit moderne oorlogstuig. Een bekend beeld van de Eerste Wereldoorlog is dat van de zij aan zij optrekkende soldaten, soms met zijn honderden naast elkaar, die gebukt onder hun dertig kilo wegende bepakking in wandeltempo ‘aanvielen’, en probleemloos, rij na rij, door de Duitse machinegeweren werden geveld.

In De Slag van de Somme 1916 van politicoloog Koen Koch komt dit nog altijd schokkende beeld van de Grote Oorlog geregeld terug. Het boek verscheen op 1 juli, precies negentig jaar na de fatale eerste dag. Uit bizarre cijfers in het boek blijkt de onovertroffen omvang van de Slag: zo’n 400.000 soldaten en 100.000 paarden werden naar de Somme gezonden. Bij de voorbereidingen passeerden op de belangrijkste aanvoerweg op één dag 26.536 soldaten, 63 kanonnen, 617 motorfietsen, 5404 rijpaarden, 813 vrachtwagens en 3756 paard-en-wagens. De uiteindelijke strijd duurde 141 dagen. Maar in plaats van een glorieuze doorbraak werd de Somme een gigantische mislukking. Een voorzichtige schatting telt 127.751 Britse doden, ruim 900 per dag. Eén op de twee Britse soldaten die aan de Somme vochten, zou nooit meer aan de oorlog deelnemen.

Er is veel geschreven over de falende legerleiding. Verbijsterend vaak stond ook voor hen het falen van een aanval al van tevoren vast, maar werd desondanks niet van de plannen afgeweken – dat zou de moraal van de mannen maar aantasten. Het is schokkend om te zien hoezeer de onderschatting van de capaciteiten van de soldaten – zij zouden te dom zijn voor ingewikkelde militaire manoeuvres – leidde tot simpele, en dus kwetsbare aanvalsstrategieën, zoals het rij na rij oprukken. Toch sluit Koch met zijn boek al te snel aan in de lange rij Eerste Wereldoorlog-chroniqueurs die de Britse legerleiding en politici verwijten dat zij met hun ouderwetse opvatting moedwillig honderdduizenden jonge jongens hebben geslachtofferd.

Deze critici gaan te gemakkelijk voorbij aan de toenmalige tijdgeest, aan het knellende 19de-eeuwse Britse keurslijf van traditie, eergevoel, militaire hiërarchie en bevelstructuur. De Britse grand old lady van de geschiedschrijving van de Grote Oorlog, Lyn Macdonald, zegt het in het voorwoord van het nu vertaalde 1915. The Death of Innocence (1993) zo: ‘Het is zo gemakkelijk om de soldaten slechts te zien als onnozele slachtoffers, de generale staf en de politieke bestuurders als incompetente blaaskaken […] Wie deze mening is toegedaan geeft blijk van weinig inzicht in de menselijke aard en de tijdgeest. We kunnen de geschiedenis niet veranderen door haar af te keuren.’

Koch heeft willen bijdragen aan het historische debat omtrent de rol van het opperbevel, maar doet dat op nogal voor de hand liggende wijze. Wellicht kwam dat door zijn strakke deadline. Want hoewel zijn boek interessante anekdotes bevat, overheerst, zo lijkt het, de haast. De auteur schrijft snel en soms slordig, en af en toe ergerlijk tendentieus. Hinderlijk is ook de herhaling: de materie wordt eindeloos uitgesmeerd, en de boodschap nodeloos benadrukt.

Die boodschap is bij Koch naast het falen van het opperbevel het onvoorstelbare, zinloze leed dat de soldaten, grotendeels jonge vrijwilligers, tijdens de Slag van de Somme hebben moeten doorstaan Niet alleen doordat zij op zo’n ongeëvenaarde schaal zijn gesneuveld, maar ook doordat ze op zo’n onovertroffen schaal verslag van de oorlog hebben gedaan: geen andere militair conflict bracht zoveel schriftelijke getuigenissen van soldaten voort. Niet voor niets werd hij ook wel de ‘literaire oorlog’ genoemd. Terwijl Koch hun ellende in zijn 21ste-eeuwse verontwaardiging onnodig benadrukt – onnodig, want de gruwelijke gebeurtenissen kunnen heel goed voor zich spreken – laat Lyn Macdonald simpelweg de mannen zelf aan het woord. Ze citeert hun brieven en dagboeken en putte zich jarenlang uit om overlevenden nog persoonlijk te spreken te krijgen. Met die inmiddels geijkte formule werkt ze gestaag aan een indrukwekkend oeuvre (eerder schreef ze 1914. Dagen van hoop, Somme 1916 en Passendale 1917) over de Eerste Wereldoorlog. Persoonlijker kan geschiedschrijving niet worden.

In 1915. Het verlies van de onschuld wordt het verhaal verteld van het tweede oorlogsjaar en de opmaat naar de Somme. De gebeurtenissen in 1915 rekenden genadeloos af met iedere hoop op een snelle overwinning. Het was het jaar van het debâcle bij Loos, van gifgas en vlammenwerpers en van de verzengende hel op het Turkse schiereiland Gallipoli, waar de Britten en Australiërs trachtten de Turken te verdrijven, die zich bij de Centralen (Duitsland en Oostenrijk) hadden aangesloten. Bij Macdonald volgen we van dichtbij het dagelijkse soldatenleven; de grappen, de liedjes, de berusting, het pragmatisme. Geestig zijn de verwikkelingen rond de ‘koloniale’ bataljons van Zuid-Afrikanen, Indiërs en Nepalezen. Omdat er Indiërs in de loopgraven verblijven van elke religie en kaste komen de militaire autoriteiten voor logistieke problemen te staan. Achter de frontlinie bereiden zes verschillende legerkeukens maaltijden die voldoen aan ieders religieuze beperkingen. En omdat voor sommigen zowel varkensvlees als rundvlees taboe is, stroopt men heel Frankrijk, inclusief Corsica, af op zoek naar geiten.

Deze luchtigere episodes vormen een welkome afwisseling voor de schokkende passages. Zoals de aankomst van het 7de Royal Scots regiment in de baai van Gallipoli. Het lukt de Schotten niet eens om aan land te komen, zo fanatiek nemen de Turken hen onder vuur. Op de loopplanken vormen ze een volmaakte schietschijf. ‘Er waren er maar weinig die de kust wisten te bereiken,’ concludeert Macdonald. ‘Ze werden bijna tot de laatste man neergeschoten terwijl ze nog over loopplanken renden. Binnen enkele minuten lagen er hoge stapels doden en stervenden en kleurde het water rood door het bloed van de gewonden die van de loopplanken vielen, zonken en verdronken onder het gewicht van hun bepakking.’ Hoewel ze verschrikkelijke gebeurtenissen beschrijft, velt Macdonald nergens een te gemakkelijk oordeel. Ze toont enkel overtuigend de bijna onbestuurbare omvang van het Britse leger; de verwarring, de chaos, de gebrekkige communicatie. Opvallend is dat de ooggetuigen die ze opvoert vrijwel nooit bitter zijn. Ze zoeken niet naar de zin van het leed dat ze hebben doorstaan, ze lijken geen behoefte te hebben aan loutering of duiding.

Misschien is dat ook bij uitstek het terrein van literatoren. Aan het front vochten veel schrijvers en dichters die over hun oorlogservaringen hebben geschreven. De mooiste Eerste Wereldoorlogsromans zijn pogingen de oorlog in te passen in een allesomvattend wereldbeeld, of het nu nihilisme is (Robert Graves’ Goodbye To All That), estheticisme (Death of a Hero van Richard Aldington), communisme (Henri Barbusses Le feu) of een Spengleriaanse omarming van de ondergang van de westerse beschaving gepaard aan de overtuiging van de toekomstige geboorte van een nieuwe mensensoort (Ernst Jüngers In Stahlgewittern, Sturm en Das Kampf als inneres Erlebnis). De Britse war poets (naast Graves en Aldington ook Siegfried Sassoon, Wilfred Owen en Edmund Blunden) worstelden bovendien met de poëtische traditie waarin ze waren grootgebracht: hoe deze grootscheepse vernietiging in te passen in lyrische, pastorale poëzie? De gruwelijke realiteit van de oorlog blijkt vaak onverenigbaar met hun vooroorlogse opvattingen over het leven en de kunst.

In de roman De verborgen strijd (in 1919 verschenen als The Secret Battle, en nu in het Nederlands vertaald) worstelt ook A.P. Herbert met nieuwe, door de oorlog opgedrongen waarden. Wat betekent lafheid wanneer mensen bij bosjes sneuvelen? Als uitgangspunt voor zijn roman nam Herbert het waargebeurde verhaal van een jonge officier die werd geëxecuteerd omdat hij in de frontlinie laf zou zijn geweest. Het resultaat is een fraai, klein, tragisch verhaal, een pleidooi voor bezinning, voor menselijkheid, temidden van gekmakend oorlogsgeweld.

Herbert laat officier Henry Penrose vechten op Gallipoli, onder de erbarmelijke omstandigheden die ook zo overtuigend door Lyn Macdonald zijn beschreven. Maar Penrose is een romantische optimist: de ziekmakend zoete lijkengeur die zwaar over de loopgraven ligt, schrijft hij toe aan een exotische plantensoort, maden ziet hij aan voor glimwormpjes. Als dit vooroorlogse optimisme hem door de omstandigheden wordt ontnomen, stort hij in. Hij houdt zich groot voor de mannen die hij moet aanvoeren, en doet alles om zichzelf ervan te overtuigen dat hij geen lafaard is. Maar hij is een gevoelige, ontwikkelde jongen met een levendige fantasie, geen soldaat in hart en nieren. Herbert concludeert dat het aan het front een voordeel is als je niet te veel nadenkt. Maar de interessante vraag die hij eraan koppelt is: is dat moedig?

War poet Edmund Blunden was, zo blijkt uit zijn oorlogsmemoires Undertones of War (nu voor het eerst in het Nederlands verschenen als Oorlogsgedruis) evenmin echt een soldaat. Hij was als officier belast met de opdracht het krijgsgebied in kaart te brengen. Een bevreemdende taak voor een jonge dichter, opgegroeid met de poëzie van de vooroorlogse Georgians, die in strakke rijmschema’s het ongerepte, pastorale landschap bezongen. In Oorlogsgedruis zoekt Blunden naar een stijl die bij de nieuwe werkelijkheid past. Archaïsche formuleringen en militaire precisie wisselen elkaar af. De lyrische landschapsbeschrijvingen zijn talrijk, maar de oorlog blijft onontkoombaar.

Blunden diende bij het Royal Sussex Regiment van 1915 – hij was toen 19 – tot maart 1918, toen hij een zenuwinzinking kreeg. Hij maakte van dichtbij de Slag aan de Somme mee, die hij volstrekt zinloos achtte. Bij vlagen heeft Oorlogsgedruis het karakter van een afrekening. Er was afstand voor nodig om het te schrijven, zowel in tijd – hij begon ermee in 1924 – als geografisch: Blunden schreef het in Japan. Ook in zijn stijl houdt hij afstand. Die is onderkoeld, vaak ironisch, soms omslachtig. Toch maakt het boek diepe indruk. Door zijn omvang, door de precisie, doordat alle gebeurtenissen, groot en klein, zonder onderscheid worden opgetekend. Blunden giet zijn ervaringen niet in een gekunstelde vorm. In een sleutelpassage verwoordt hij die keuze zo: ‘Wat wij als Britten destijds hebben meegemaakt en wat ik me daarvan nog herinner, is voor mij niet meer in te delen in categorieën van kleine en grote gebeurtenissen. […] De kunst is veeleer dit alles te verzamelen in zijn oorspronkelijke, incoherente vorm.’

Toch maakt Blunden een literaire afweging, door steeds de nieuwe realiteit van de oorlog nadrukkelijk tegenover het romantische, beschaafde vooroorlogse bestaan te plaatsen. In de smerige, modderige loopgraven leest hij poëzie. En als hij tijdelijk verblijft in het huis van een notaris, noteert hij: ‘Een man naar mijn hart! Overal lagen boeken , op de vloer, in kasten, op stoelen, zelfs op de vensterbanken.’ Blunden geniet van dit ‘fraaie literaire legioen uitgevoerd in blauw en rood marokijn en ivoorkleurig vellum.’ Hij neemt zelfs een paar delen mee naar zijn loopgraaf. Zo wapent hij zich met beschaving tegen de barbarij.

Wanneer hij het mentaal moeilijker krijgt, blijkt de oorlog toch te sterk voor hem. Zijn taal wordt somberder, de situatie uitzichtlozer, de beschrijvingen gruwelijker. De stad Ieper, wier schoonheid hij eerder nog overdadig roemt, blijkt geheel te zijn weggevaagd. Hij kan de stad niet vinden, want er resteert enkel modder. En op een andere plek ziet Blunden: ‘een smerige, vol lijken liggende, achterafgelegen puinhoop waar ooit een Picardisch dorp had gestaan.’ Maar anders dan Ernst Jünger, die in Sturm de beschaafde wereld vaarwel zegt, en het harde soldatenbestaan omarmt, laat de romantische dichter Blunden de oorlog nooit helemaal winnen. Aan het fraaie slot omschrijft Blunden zichzelf als een ‘argeloze herdersjongen in een soldatenjas’. Hij heeft die jas, die zware last, moedig gedragen. Het heeft hem gehinderd, maar hij kan hem weer ook afwerpen. Onder zijn opgedrongen soldatenvermomming is de romantische mens, de dichter, onaangetast. Uiteindelijk zal de beschaving triomferen; oorlog is slechts een tijdelijke travestie. Als Blunden van het front vertrekt, aanschouwt hij hoopvol hoe Vlaanderen zich herstelt van de vernietiging. ‘En dan […] zien we Albert [een Belgisch dorp aan de frontlinie], er zit weer leven in, de hoge schoorstenen roken, de rozenrode daken zijn spiksplinternieuw en overal worden akkers weer bebouwd en schiet het jonge gewas hoog op. […] De barmhartige natuur rukt op. Kan het waar zijn?’