De studeerkamer biedt het beste inzicht

Ko Colijn is één van de bekendste oorlogsdeskundigen van Nederland. Zelf heeft hij nog nooit in een oorlogsgebied gewerkt, maar hij volgt alles van Pakistaanse kranten tot berichten uit het Pentagon.

Laatst was Ko Colijn in een bouwmarkt. Plotseling werd hij aangeschoten door een onbekende man. „Hoe moet dat nu in Uruzgan, meneer Colijn”, vroeg een bezorgde vader. „Wat moet ik tegen mijn kinderen zeggen?” Colijn zette zijn bouwmarktspullen even weg en begon midden in de Gamma de vader uit te leggen hoe de zaken er in Uruzgan voor staan. Helemaal geruststellen, kon hij de man niet: Uruzgan is gevaarlijk.

Colijn is tegen en wil en dank een bekende Nederlander en wordt daar ook op aangesproken. Want als er waar dan ook in de wereld een brandhaard ontstaat, en niemand nog een flauw idee heeft hoe de situatie is, is een ding zeker: defensie- en buitenlanddeskundige Ko Colijn (55) geeft diezelfde avond nog uitleg op televisie of radio. Tijdens de inval in Irak reed hij iedere dag op en neer naar Hilversum. Dan zat hij vlak naast de presentator van het NOS-journaal. De journaalkijker herkent hem meteen aan zijn soms wat warrige kapsel en brommerige, onderkoelde stem. Het maakt niet uit hoeveel doden vallen, hoeveel aanslagen er zijn of nog gaan komen: niets in Colijns stem verraadt paniek of onrust. Aan zijn toon is niet te horen of Colijn het weerbericht oplepelt of een dramatische ontwikkeling beschrijft.

Het grote publiek kent hem van zijn televisiecommentaren, een kleiner publiek leest zijn column in Vrij Nederland. Als Colijn even niet naar Hilversum kan komen, ziet de televisiekijker hem thuis. „Met op de achtergrond soms de achtertuin van zijn Leidse huis”, schreef Vrij Nederland-hoofdredacteur Emile Fallaux recentelijk.

Maar Colijn doet meer dan alleen internationale conflicten analyseren voor het oog van de camera. Onlangs is hij benoemd tot bijzonder hoogleraar namens het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken Internationale Betrekkingen (NGIZ) aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam met in het bijzonder de problematiek van de mondiale veiligheid. Hij werkt in deeltijd voor de universiteit en verder voor Vrij Nederland. Voor het weekblad schreef hij vanaf 1978 bijna duizend artikelen. En zo heeft hij het altijd gewild: wetenschap combineren of zelfs vermengen met de journalistiek.

Behalve journalisten maken ook Kamerleden gebruik van zijn kennis. Ook wordt hem zo nu en dan gevraagd deel te nemen aan een parlementaire hoorzitting. Colijn is lid van de PvdA. „Zijn invloed is vrij diffuus”, zegt A. van Staden, ex-directeur van Clingendael. Zelf zegt Colijn „goede contacten” te hebben met hoge ambtenaren binnen Defensie en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zowel Colijn als ambtenaren hebben profijt van die gesprekken: ambtenaren vragen hem advies, maar hij weet ook informatie los te peuteren. Hij zat ook wel eens met Wim Kok of Ruud Lubbers om de tafel.

Ko Colijn werd enkele maanden geleden gevraagd om te dineren met Roland Arnall, sinds maart ambassadeur van de Verenigde Staten in Nederland. Arnall had een vijftal Nederlandse deskundigen uitgenodigd om over de internationale politiek te praten. Het gesprek ging veel over Irak en Afghanistan, zegt Monika Sie Dhian Ho, onderzoekster bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) die ook bij het diner aanwezig was. Arnall wilde graag weten hoe Nederlandse buitenlanddeskundigen over buitenlandbeleid dachten. Een makkelijk gesprek was het niet. „Ko weet ontzettend veel over Irak en Afghanistan, maar gaat pas praten als hem iets wordt gevraagd”, zegt Sie Dhian Ho. „Dat is typisch Ko. Ik moest herhaaldelijk in het gesprek zeggen ‘volgens mij weet meneer Colijn veel over dit en dat onderwerp’.” En pas op dat moment ging Colijn ‘los’. „U vraagt, wij draaien. Maar dan wordt er wel consciëntieus gedraaid”, omschrijft Sie Dhian Ho zijn manier van werken. „Ongeacht of zijn adviezen worden opgevolgd.”

Dat gebeurt niet altijd. Tijdens een PvdA-bijeenkomst op 25 januari in de Jaarbeurs in Utrecht werden de voorbereidingen getroffen voor het Uruzgan-debat in de Tweede Kamer. De PvdA moest een keuze maken: vóór of tegen de ISAF-missie (International Security Assistance Force) naar Uruzgan.

Colijn werd op die dag ook gevraagd naar zíjn standpunt. Het wordt vechten daar, is zijn boodschap. „Van opbouwen zal zeker in het begin weinig sprake zijn, dus noem het dan ook geen opbouwmissie en stuur zwaar materieel”, zegt hij nu in zijn werkkamer.

Hij had beter tegen een muur kunnen praten. Colijn: „De PvdA kon de achterban alleen mee krijgen door te zeggen dat het een opbouwmissie is. De mevrouw van Novib kreeg de handen meer op elkaar in de zaal dan diegenen die zeiden: het wordt vechten daar. Dan zeg ik: leuk op de korte termijn om die partij mee te krijgen maar op de lange duur spreken we elkaar wel weer.” Een geïrriteerde e-mail naar fractievoorzitter Wouter Bos zal hij nooit sturen, maar „men begrijpt vanzelf wel dat mensen over een jaar met een meer genuanceerd beeld naar voren komen”.

Het is geen rooskleurig beeld dat Colijn schetst van de toestand in de Zuid-Afghaanse provincie waar operatie Mountain Thrust, bedoeld om de Taliban te elimineren, nog in volle gang is. Voor 1 augustus moet de operatie op papier zijn afgerond. „Dat gaat niet lukken. Het verschil tussen Operation Enduring Freedom (die Mountain Thrust uitvoert, red.) en ISAF is flinterdun”, zegt Colijn op zijn werkkamer op de universiteit in Rotterdam. „David Barno (voormalig Amerikaanse bevelhebber, red.) zei vorig jaar: geef ons nog een jaar en dan zijn we klaar. Eind augustus veranderde dat geluid al. In het najaar versomberde het nog meer. Kortom: die klus is nog lang niet geklaard.” Volgens Colijn gaat het jagen op Talibanstrijders nog zeker twee jaar duren. „Niet voortdurend in dezelfde hevigheid. Afghanistan is veel minder gevaarlijk dan Irak. Kijk naar de zelfmoordaanslagen. Die zijn er veel meer in Irak.”

Zijn analyses baseert Colijn veelal op bronnen als internationale krantenartikelen en veiligheidsanalyses. „Krantenberichten uit India leveren bijvoorbeeld vaak een schat aan informatie op. Natuurlijk moet je die wel wegen: ook India heeft belang om te berichten over de aanwezigheid van Talibanstrijders in Pakistan.” Het beroep van oorlogsverslaggever ter plaatse heeft hij nooit geambieerd. Want goede informatie, zegt hij, vindt je niet in Uruzgan, maar in andere publicaties die hij veilig in de studeerkamer kan bekijken.

Als de spanningen verder oplopen in Uruzgan (waar vanaf 1 augustus ongeveer 1.400 Nederlandse militairen zijn gestationeerd) zal ook de telefoon bij Colijn vaker gaan rinkelen. De NOS zal hem tegen die tijd nog vaker vragen naar de studio te komen, net als toen Saddam Hoessein letterlijk van zijn sokkel werd gestoten in Irak of toen de gekaapte vliegtuigen van Al-Qaeda terroristen zich in het World Trade Center boorden.

Waarom wordt juist Colijn gevraagd als deskundige? Vanwege zijn betrouwbaarheid en onafhankelijkheid, zegt prof. dr. A. van Staden, ex-directeur van buitenlandinstituut Clingendael en indertijd zijn promotor. Zelf zegt Colijn over zijn onafhankelijkheid: „Instituut Clingendael zit dicht op Den Haag. Het is wat meer overheidsgebonden. Als je én bij het ministerie van Defensie hebt gewerkt én je hebt een baan bij de Koninklijke Militaire Academie en je bent óók nog bij Clingendael werkzaam, dan ben je misschien niet helemaal onafhankelijk. In die zin ben ik wel wat vrijer.”

Hij ligt goed in ‘Hilversum’, zegt zijn collega Max van Weezel. „Veel deskundigen zijn niet slijtvast. Mensen als Rob de Wijk zeggen te makkelijk ‘ja’. Die laten zich te eenvoudig verleiden tot uitspraken die ze achteraf niet waar kunnen maken. Ko wil alleen wat zeggen voor de camera als hij er ook daadwerkelijk verstand van heeft.”

Toch zit Colijn er zelf ook wel eens naast. Zoals velen (waaronder het kabinet-Balkenende I) geloofde Ko Colijn dat er wel degelijk massavernietigingswapens waren in het Irak onder Saddam Hoessein. Sinds de inval in dat land in maart 2003 is er echter niet één massavernietigingswapen gevonden. Dat is inmiddels wereldwijd erkend. De mogelijke aanwezigheid van massavernietigingswapens was een zwaar argument voor het kabinet om de oorlog in Irak politiek te steunen.

Precies een jaar na de inval zegt Colijn hierover in de Groene Amsterdammer: „Mijn persoonlijke opvattingen zijn niet echt veranderd, want enige scepsis is me niet vreemd. Ik geef meteen toe dat het onvindbaar zijn van de massavernietigingswapens schokkend is en afbreuk doet aan de legitimiteit van de oorlog. Ook ik dacht dat ze er waren, want je kon je niet voorstellen dat iemand als minister Colin Powell zijn reputatie op het spel zou zetten met zo’n show in de Veiligheidsraad.” Tijdens deze „show” presenteerde de Amerikaanse minister Powell het ‘bewijs’ voor de aanwezigheid van massavernietigingswapens.

Ko Colijn (geen familie van de vroegere premier) werd in 1951 geboren in Den Haag. Zijn vader werkte als ambtenaar bij de Kamer van Koophandel. De man had grote belangstelling voor buitenlandse politiek. Die gaf hij door aan zoon Ko. Iedere zondagmiddag ging de radio aan. Het werd muisstil in huize Colijn. Iedereen luisterde naar de buitenlandrubriek van G.B.J. Hiltermann. „Zo wist ik op zes jarige leeftijd al wie Adenauer en Eisenhower waren”, zegt Colijn.

Tijdens zijn middelbareschooltijd haalde hij hoge cijfers en was hij voorzitter van de leerlingenbond. Een feestbeest was hij allerminst. „Ik reed niet op een Puch en ging niet naar The Golden Earrings”, schrijft Het Parool in een interview met Colijn in 2003. De Vietnamoorlog domineerde tijdens zijn middelbareschooltijd het nieuws. Colijn hield zich afzijdig. „Ik riep niet ‘Johnson moordenaar’, zoals veel anderen. Ik verwonderde me en las me in.” In die tijd deed de defensiedeskundige actief aan voetbal. Zijn vriend Dirk Wepster, nu psychotherapeut bij veteraneninstituut Centrum ’45, kent hem sinds zijn studententijd. „Bij opstootjes was hij op de een of andere manier altijd wel betrokken. Niet als aanstichter, maar hij mengde zich er altijd wel tussen. Hij is altijd dichtbij de brandhaard. In dat soort situaties zocht hij altijd naar de bedoelingen van een ander.”

Na het gymnasium moest Colijn in dienst. Hij weigerde. Naast zijn studie politieke wetenschappen volgde hij net zolang economievakken tot hij een lesbevoegdheid voor economieleraar haalde. Destijds betekende dat vrijstelling van dienst. Door zijn werk als docent heeft hij moeilijke dingen makkelijk leren uitleggen, zegt Monika Sie Dhian Ho van de WRR.

Op wetenschappelijk gebied begon hij in die tijd ook aan de weg te te timmeren. Samen met medestudenten richtte hij met een piepklein budget De Stichting Polemologische Bibliotheek in Leiden op. De inhoud van de bibliotheek bestond voornamelijk van legaten van hoogleraren, maar vormde het begin van Colijns archief.

En toen kwam de Lockheed-affaire in 1976. Prins Bernhard zou 1,1 miljoen dollar aan steekpenningen hebben ontvangen van de Amerikaanse vliegtuigbouwer Lockheed. Dat was het moment dat Colijn werd ‘gelanceerd’ als deskundige. Er was weinig kennis op dat gebied. „Ik werd eigenlijk tegen wil en dank deskundige”, zegt Colijn. Zijn promotieonderzoek over het Nederlandse wapenexportbeleid maakte hem nog bekender, zeker binnen defensiekringen. Zijn promotie deed hij samen met Paul Rusman, met wie hij veel samenwerkte bij Vrij Nederland. Hun samenwerking liep na tientallen artikelen over wapenhandel en andere defensieaangelegenheden spaak. „Er ontstond wrevel tussen die twee”, zegt Max van Weezel van het weekblad. „Vergelijk het met een oud echtpaar dat ruzie maakt maar toch van elkaar houdt.” Van Weezel kan zich de mislukte verzoeningspogingen daarna nog goed voor de geest halen. „Tranen rolden door de snorren van beide mannen. Zo kende ik hem eigenlijk niet.”

Zijn professie is zijn levenswerk, zegt Colijns vriendin Rolien Paulus. „Hij heeft vaak tien zaken tegelijk. Zonder ooit in de stress te schieten”, zegt ook zijn vriend Dirk Wepster. Op vakantie is hij onafscheidelijk van zijn wereldontvanger. Paulus: „Zelfs in de kleinste dorpjes gaat hij op zoek naar een krant, om vervolgens intens gelukkig met Le Monde onder een boom te zitten.”

Ondanks zijn bekendheid is Colijn allesbehalve een ijdeltuit, zeggen mensen die hem goed kennen. „Hij zal niet snel aanhaken bij het circus van bekende Nederlanders, dat te pas en te onpas op televisie komt”, aldus zijn partner. Zo weigerde hij mee te doen met het tv-spelletje Herexamen, „omdat het niets te maken heeft met zijn professie”, verklaart Paulus. ‘Hé, u bent van de tv’, roepen voorbijgangers wel eens op straat naar Colijn. Rolien Paulus: „Dan kan hij in zichzelf gekeerd en zelfs narrig worden.” Het gaat dan om hem, en niet om zijn vakgebied.