‘Of ze konden komen praten over massavernietigingswapens’

„Ik bewaar niks meer op mijn computer.” Foto Freddy Rikken 30/6/2006 Foto Freddy Rikken Willem Gabes scheikundeleraar Lijnden
„Ik bewaar niks meer op mijn computer.” Foto Freddy Rikken 30/6/2006 Foto Freddy Rikken Willem Gabes scheikundeleraar Lijnden Rikken, Freddy

‘Het maken van eindexamenopgaven gebeurt in het diepste geheim. Als voormalig scheikundeleraar doe ik dat werk voor exameninstituut Cito al jaren, maar buitenstaanders mogen dat niet weten. Pas nu het VWO-herexamen scheikunde achter de rug is, kan ik anoniem praten over de sommen die ik daarvoor heb gemaakt. De som waarover ik wil vertellen gaat over zwaar water, een vloeistof die gebruikt kan worden als onderdeel in een kernreactor maar die ook medische toepassingen kent.

Vier jaar geleden bracht een stukje in NRC Handelsblad me op het idee. Dat stukje ging over de berekening van de hoeveelheid water in een menselijk lichaam, van belang bijvoorbeeld bij de behandeling van nierziekten. Nieuw onderzoek had uitgewezen dat de hoeveelheid lichaamswater snel kan worden vastgesteld na het drinken van D2O, beter bekend als ‘zwaar water’. Maar ik kan mijn examenopgave natuurlijk niet alleen op een krantenartikel baseren. Zo begon ik een zoektocht naar meer informatie. Daarvoor heb ik veel gemaild met de Britse onderzoeker. Ook wilde ik weten hoe zwaar water tegenwoordig gemaakt wordt, als theoretische inleiding. Daarom verzond ik e-mails naar vijf fabrieken in Canada die mij keurig folders stuurden met beschrijvingen van het procédé. Waar ik de gegevens precies voor nodig had, liet ik in het midden: educatieve doeleinden, discussions in the classroom.

Op een dinsdag in juni, twee jaar geleden, kreeg ik een telefoontje. Het was de AIVD, de geheime dienst. Of ze konden komen praten over massavernietigingswapens. Eerst dacht ik aan een vergissing. Ze hebben iemand anders nodig. Nee, werd gezegd, u bent scheikundeleraar, we hebben u nagetrokken, u bent de goeie. Twee dagen later stonden ze op de stoep: Wittekoek en Van Dol, stond op hun legitimatiepasjes. We komen voor uw onderzoekingen op internet naar zwaar water, zei Wittekoek. O, zei ik, is dat het? Ik vertelde dat ik scheikundeleraar was en me voor chemie interesseer. Dat kan niet, zeiden ze, je bent geen leraar meer. Dat klopte, want ik was een half jaar met pensioen. Ja, maar ik heb nog steeds interesse, zei ik. Kan niet, daarvoor is het te diepgaand. Toen heb ik mijn functie bij het Cito prijsgegeven, dat ik daar eindexamens maak. Daar reageerden ze niet op, ze keken me wat glazig aan. Ik vertelde ze dat ik een opgave over zwaar water wilde maken. Dat die verder niets met terrorisme of kerncentrales van doen zou hebben. Ik probeerde ze ook uit te leggen wat zwaar water was, maar hun kennis van scheikunde was nihil. Een van de mannen had nog nooit van H2O gehoord, de ander wel, maar wist niet het was.

Ik moet zeggen dat ik behoorlijk van de kaart was, echt overrompeld. Ik ben nog zo stom geweest om ze mijn computer te laten zien, en mijn e-maillijst. ‘Jullie weten wel verdomd veel van me’, zei ik. ‘Hoe komen jullie daaraan?’ Geen antwoord. ‘Dit kunnen jullie alleen weten als jullie mijn e-mails hebben gelicht en mijn telefoon afgetapt.’ Dat is niet gebeurd, zeiden ze. Ik heb nog gevraagd: ‘Hebben jullie inlichtingen bij andere mensen ingewonnen? Zijn jullie op mijn oude school geweest?’ Is allemaal niet gebeurd, zeiden ze.

Ze suggereerden wel dat er een verband was met Khan, de Pakistaanse atoomspion die in Nederland in de jaren zeventig nucleaire technologie heeft gestolen en later kernbommen ging produceren. Ze zeiden: Je snapt het wel, Khan en zwaar water – heel gevaarlijk allemaal. Toen ging bij mij een lichtje branden. Dan weten jullie natuurlijk ook dat ik in Zwanenburg in dezelfde straat heb gewoond als Khan, zei ik. Dat wisten ze. Ik heb verteld dat ik Khan nooit heb ontmoet. Dat de ultracentrifuges waarnaar Khan spioneerde ook niks te maken hadden met zwaar water. Ja, maar je kunt zwaar water toch ook in ultracentrifuges verrijken, zei Wittekoek. Toen ben ik gestopt. Ik kan een hoop, maar tegen dit soort onnozelheid ben ik niet opgewassen. Zwaar water heeft helemaal niks te maken met verrijking.

Ze zijn vertrokken, hun kaartje wilde ik niet aannemen. Ik heb mijn baas bij Cito verteld wat er was gebeurd en ik heb een aantal chemici uit mijn netwerk ingelicht. Toen hoorde ik van één van die relaties: ze zijn in februari, vier maanden eerder, ook bij je oude school geweest, iemand van de AIVD en iemand in politie-uniform. Ik belde de school. De conrector ontkende eerst, maar gaf later toe. Hij had de AIVD beloofd niet over het bezoek te praten. Tegen de AIVD bleek hij verteld te hebben dat ik dertig jaar als betrouwbare leraar op school had gewerkt en dat ik examenvraagstukken voor Cito maakte. Iemand van de schoolleiding was zelfs de lerarenkamer ingestapt en had gevraagd of zwaar water onder de eindexamenstof viel. Toen ze bij mij aanklopten, wisten ze dus allang dat ik eindexamens maak. Bovendien hadden ze me gewoon voorgelogen: dat ze niet bij school hadden geïnformeerd, dat ze geen e-mail verkeer hadden onderschept.

Ik heb toen een brief geschreven aan de AIVD. Dat mij was gebleken dat er een onderzoek naar me was ingesteld. Wat was de aanleiding daarvoor? Is mijn telefoon afgeluisterd? Zijn mijn e-mails bekeken? Zijn mijn relaties onderzocht? Zijn de gegevens ergens opgeslagen? Is het onderzoek nu afgesloten? Verder heb ik mijn grote zorg uitgesproken over het onderscheppen van vertrouwelijke eindexamengegevens. Meteen stond Wittekoek weer op de stoep. Hij had niet gelogen toen hij had gezegd dat ze niet op school waren geweest. Want dat was iemand anders van de dienst geweest. Erg flauw. Bij het weggaan wilde hij weer zijn kaartje achterlaten, maar ik heb het niet aangenomen. In september kreeg ik een brief van AIVD-baas Van Hulst. De AIVD, zo schrijft hij, ‘verricht alleen onderzoek naar personen die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen’ voor de veiligheid van de staat. Goed onderzoek is alleen mogelijk, als het geheim blijft. Mijn verzoek om inzage in mijn dossier was afgewezen.

Daarna heb ik een klacht ingediend bij de Commissie van Toezicht voor inlichtingendiensten. Ik wilde vooral op schrift dat ik me niet heb schuldig gemaakt aan staatsgevaarlijke activiteiten. Begin november mocht ik in Den Haag langskomen bij professor Fasseur, de biograaf van koningin Wilhelmina, die lid is van die commissie. Een aardige en intelligente man. Hij had het dossier voor zich liggen en bleek met AIVD-medewerkers te hebben gesproken. Maar op al mijn vragen of er e-mails waren bekeken of dat mijn telefoon was afgetapt, kreeg ik wedervragen als: waarom denkt u dat? Hij maakte vage toespelingen op ‘informatie van over de plas’ of ‘er is niks mis met u’. Maar zodra ik doorvroeg zei hij steeds: uit het dossier mag ik u uiteraard niets vertellen. Uiteindelijk ging ik met een heel onbevredigd gevoel naar huis.

In februari 2005 kreeg ik een brief van het ministerie van Binnenlandse Zaken waaronder de AIVD valt. Mijn klachten waren afgewezen. Het onderzoek van de AIVD was in orde. Een examenmaker kon best voor iemand met slechte bedoelingen werken, of iemand anders kon misbruik maken van mijn computer of e-mailaccount. De klacht over de leugens vonden ze ‘wel begrijpelijk maar daarmee nog niet gegrond’. En het feit dat er een politieagent mee was naar de school, was door de AIVD tegengesproken. Geverifieerd bij de school hadden ze het blijkbaar niet. Wel bleek dat Fasseur had geadviseerd om mij ‘te laten weten of het onderzoek is beëindigd en of de AIVD bijzondere inlichtingenmiddelen heeft ingezet’. Hij had zelfs een tekstvoorstel gedaan. Maar dat advies, schrijft Binnenlandse Zaken, is aan de kant geschoven omdat dat zogenaamd inzicht zou bieden in het ‘actuele kennisniveau’ van de dienst. De passage daarover in het bijgevoegde advies van Fasseur was door het ministerie weggelakt.

Als laatste stap ben ik nog naar de Ombudsman gegaan. Maar dat onderzoek stelde helemaal weinig voor. Ik moest nog praten als Brugman tegen een medewerkster die het openbare rapport op internet wilde zetten. Ze begreep maar niet dat daarmee geheime gegevens over een toekomstig VWO-examen naar buiten zou worden gebracht. Ach, niemand kijkt op onze site, zei ze nog.

De AIVD’ers Wittekoek en Van Dol kwam ik later nog tegen. In de krant las ik dat ze ook betrokken waren bij een omstreden huiszoeking bij Henk S., een vriend van die Khan die veroordeeld is voor handel in nucleaire technologie. Ik heb het stukje bewaard: ‘De stemmen van Van Dol en Wittekoek, niet de echte namen van de mannen, waren vervormd. In de rechtszaal zelf zat het tweetal geschminkt en met baard en pruik’. Ik maak me echt grote zorgen over de steeds ruimere bevoegdheden die aan de AIVD worden gegeven onder het mom van terreurbestrijding. Aanpakken kun je de dienst niet. Want die verschuilt zich achter geheimhouding en de belangen van de staat. Daarom was ik ook zo blij dat de rechter vorige week het afluisteren van die Telegraafjournalisten verbood en dat hun dossier moet worden vernietigd. Een vrije, kritische pers is van levensbelang. Daar blijf je met je poten van af. Maar ik vind ook dat examenmakers met rust moeten worden gelaten. Wij moeten in het geheim kunnen opereren. Maar ik voel me nu zwaar gehinderd in mijn werk. Van sommige mensen uit mijn netwerk heb ik niets meer gehoord sinds ik verteld heb over de belangstelling van de AIVD. Als ik nu een artikel zie over gevoelige stoffen waarover ik een opgave zou willen maken, durf ik de auteurs vaak niet aan te schrijven. Ik bewaar niks meer op mijn computer en om voor examens te internetten ga ik naar een internetcafé.”

Opgetekend door Jaco Alberts

    • Jaco Alberts