Soldaat in het ‘goddelijk laboratorium’

Hans Olink: De oorlogen van een Indische krijgsgod. Het wonderbaarlijke leven van Louis Grondijs. Atlas, 447 blz. € 24,90.

In ieder geval vocht er één Nederlander mee in de Russische revolutie. Aan de kant van de tsaar. Een Nederlander, gekleed als Russisch officier, die erop los schoot en er niet voor terugdeinsde zijn sabel te gebruiken. Een Nederlander die van die rare begrippen als ‘eer’ en ‘vaderland’ belangrijk vond en ervoor wilde sneuvelen. Een man bovendien die een eminent hooggeleerde was in de oost-christelijke cultuurgeschiedenis. Hij heet Louis Grondijs en is dankzij historicus Hans Olink van de mestvaalt der geschiedenis gered.

De oorlogen van een Indische krijgsgod bestaat uit twee delen: een fragmentarische, op archiefonderzoek en gesprekken met familieleden en historici gebaseerde biografie van Grondijs en een selectie uit vier van zijn oorlogsjourna- listieke boeken. Beide doen je uit je stoel vallen van verbazing, zo on-Nederlands is dit leven, zo spannend en scherp zijn de verslagen van het krijgsgewoel. Grondijs komt uit Olinks boek naar voren als een Nederlandse variant van een andere oorlogsverheerlijker, Ernst Jünger (1895-1998). Deze Duitse schrijver/officier had in zijn beroemde verslag van de grote loopgravenoorlog, Im Stahlgewittern, beschreven dat een mens alleen in een oorlogssituatie zijn ware karakter leert kennen.

Lodewijk Hermen Grondijs (1878- 1961) werd geboren in Nederlands-Indië als zoon van een Hollandse onderwijzer en een Indische vrouw. Op foto’s ziet hij eruit als een volbloed Indische man, met vierkant Hitlersnorretje. Na de hbs en zijn studie wis- en natuurkunde in Leiden, geeft Grondijs les aan een mts in Dordrecht. Hij had er tot aan zijn pensioen kunnen blijven, als hij niet onder de indruk was geraakt van de verhalen over het barbaarse gedrag van Duitse troepen tijdens hun opmars door België in 1914.

Grondijs reist naar het front als oorlogsverslaggever voor de deftige NRC . Hij trekt langs uitgebrande huizen, ziet stapels lijken van gefusilleerde Belgen en voorkomt op spectaculaire wijze dat twee priesters, die ervan worden beschuldigd de bevolking tot geweld op te hitsen, hun leven eveneens voor een vuurpeloton eindigen.

Zoals Olink treffend beschrijft, zie je dan al dat typische Grondijs-gedrag opdoemen. Het manifesteert zich voor het eerst als hij gearresteerd wordt op verdenking van spionage en zich uit die penibele situatie kletst door een grote mond op te zetten tegen een Duitse officier. Die onbevreesdheid zal hem keer op keer het leven redden.

Grondijs ontdekt in België dat oorlog ‘een goddelijk laboratorium’ van de menselijke ziel is. Om alle chemische reacties van nabij te kunnen bestuderen besluit hij als waarnemer en zo nodig als deelnemer de oorlog van nog dichterbij te bestuderen. Sindsdien verlangde hij naar oorlog als een stier naar een drachtige koe.

In 1915 vertrekt hij naar Rusland waar hij als oorlogscorrespondent van de Daily Telegraph met het Russische leger optrekt en deelneemt aan een bajonetaanval op Oostenrijk-Hongaarse troepen. Ineens is hij een embedded journalist, die partij kiest met pistool en sabel in zijn handen.

Een jaar later verslaat Grondijs in Frankrijk de slag bij Verdun in bijna poëtische bewoordingen (‘waar het leven als het ware toegang gaf tot een vierde dimensie van lijden en trouw’) en weer een jaar later is hij getuige van de Russische revolutie. Ontroerend is zijn beschrijving van het bezoek van de zojuist afgetreden tsaar Nicolaas II aan de generale staf in Mogiljov. Het is een massale huilbui, waarbij officieren flauwvielen van verdriet en wanhoop.

Vanaf 1918 vecht hij met de Witte legers tegen de bolsjewieken. Die keuze voor de monarchisten is vooral gebaseerd op zijn oude vriendschappen met officieren uit het tsaristische leger, maar ook op zijn bewondering voor orde en tucht, die hij bij de bolsjewieken niet kan ontdekken. Aan de Witten blijft hij dan ook altijd trouw.

Als hun aanvoerder generaal Kornilov hem vraagt de bolsjewieken te misleiden door zich met valse berichten over troepenbewegingen in hun midden te begeven, aarzelt hij dan ook niet. In het bolsjewistische kamp maakt hij kennis met een joodse commissaris, voor wie hij respect kan opbrengen. Die commissaris is de eerste jood over wie hij zich positief uitlaat, want voor hem zijn de woorden jood, opportunist, profiteur en bolsjewiek synoniem. Grondijs is, zoals de meeste conservatieven van zijn generatie, een antisemiet, die joden beschouwt als een zootje egoïsten, zonder eergevoel en vaderlandsliefde. Vol walging schrijft hij over de hoge bolsjewieken van joodse komaf die hij in 1918 in Moskou tegenkomt en zich de paleizen van de adel en de rijke burgerij hebben toegeëigend.

Na zich in Siberië bij de Witte legers van admiraal Koltsjak te hebben aangesloten, ontpopt Grondijs zich opnieuw als een objectief verslaggever, met een scherp oog voor zowel de Witte als de Rode oorlogsmisdaden. Ook voorspelt hij dat de door hun ideologie voortgestuwde bolsjewieken de burgeroorlog gaan winnen.

In 1920 trouwt Grondijs met een Russische concertpianiste en vestigt hij zich in een villa iets buiten Parijs. Acht jaar later keert hij terug naar Nederland en weet hij in Utrecht een bijzonder hoogleraarschap in de joods-christelijke kunstgeschiedenis te verkrijgen. Hij reist veel door Oost-Europa voor archeologisch onderzoek en is altijd daar te vinden waar het kruit dampt. Zo bezoekt hij in 1932 Japan en het door Japan bezette Mantsjoerije, en is hij in 1936 toevallig in Spanje als daar de burgeroorlog uitbreekt. Je staat er niet versteld van dat hij partij kiest voor Franco, die hij als een verdediger van de democratie tegen de bolsjewistische agressie beschouwt.

Maar in de Tweede Wereldoorlog is hij weer hoogleraar in Utrecht. Hij schrijft een artikel over Rusland voor de collaborerende Telegraaf en geeft tal van lezingen over dat land. Na de bevrijding wordt hij op grond van die activiteiten uit zijn ambt gezet. Bewijs voor zijn collaboratie is echter niet te vinden en de zaak wordt geseponeerd. Grondijs is waarschijnlijk hoogstens te betrappen op enige vooroorlogse sympathie voor de nazi’s, als ‘hoeders’ van orde en tucht, maar toen ze Nederland zonder oorlogsverklaring binnenvielen moest hij niets meer van ze hebben. Eervol was de Duitse overval tenslotte niet te noemen. En om eer draaide bij Grondijs tenslotte alles. Tot aan zijn dood in 1961. Hij stierf aan een hartaanval tijdens een partijtje schermen op een Scheveningse sportschool.