Antisemitisme alom

Hans Jansen: Van jodenhaat naar zelfmoordterrorisme. Islamisering van het Europees antisemitisme in het Midden-Oosten. Jongbloed, 1047 blz. € 29,95

Door de affaire rondom vermeende censuur in de afscheidsrede van de Utrechtse hoogleraar Pieter van der Horst, is het thema van islamitisch en ander antisemitisme in heden en verleden weer actueel geworden. Je vraagt je een beetje af waarom; samenzweringstheorieen en roddels over religieuze minderheden zijn immers van alle tijden en samenlevingen. Vroeger had je verhalen over joden die christelijk kinderbloed in hun matzes verwerkten, en over ketters die het met katten deden; in de moderne wereld vind je de Protocollen van de wijzen van Zion over een joodse wereldsamenzwering, Bat Ye’ors recente boek Eurabia over een Europees-Arabische samenzwering tegen Israel, en vandaag de dag natuurlijk de diverse theorieën die, vooral via het internet, verkondigen dat de 9/11-aanslagen niet het werk waren van al-Qaida maar van de Amerikaanse regering, de Mossad of maffia.

Interessanter dan de vraag of er veel van zulke theorieën klopt, en hoe dom of slecht degenen zijn die erin geloven, is de vraag hoe en wanneer ze politiek werkzaam kunnen worden gemaakt. De theoloog Hans Jansen (niet te verwarren met de arabist) traceert hoe het moderne Europese antisemitisme, met name maar niet uitsluitend na de stichting van Israël in 1948, is overgenomen door Israëls Arabische vijanden. Uitvoerig catalogiseert hij allerlei misplaatste Arabische vergelijkingen van de Israëlische bezetting met het Duitse nazisme, en onsmakelijke generalisaties over joden.

Een belangwekkend onderwerp, maar helaas levert dit boek er ondanks zijn omvang geen serieuze bijdrage aan. Om te beginnen wekt het zelfs niet de schijn van gebalanceerd of onpartijdig bronnengebruik: vrijwel alle erin gebruikte informatie is afkomstig van Israëlische en pro-Israëlische denktanks en propagandabronnen zoals de Anti-Defamation League en het Intelligence and Terrorism Information Center. Ook neemt Jansen nauwelijks de moeite om dit omvangrijke maar eenzijdige bronnenmateriaal kritisch te ontleden. Achteloos gooit hij zelfmoordaanslagen, cartoons en losse opmerkingen van 18de- eeuwse filosofen op één vormeloze hoop van tijdloos antisemitisme.

De inzet van dit boek blijkt niets meer of minder dan een apologie voor de staat Israël: in zijn inleiding schrijft Jansen immers dat het zionisme, ofwel de vorming van een aparte joodse staat, de enige haalbare joodse strategie van overleven is. Vanzelfsprekend is dat een legitieme positie. Zo’n redenering dreigt echter elke vorm van verzet tegen, of kritiek op, de Israëlische bezetting van Palestijns land en de dagelijkse pesterijen en vernederingen van de Palestijnse bevolking bij voorbaat af te doen als antisemitisch. Onbedoeld maakt Jansens boek dus duidelijk hoe moeilijk het is om tussen de extremen van het Israëlisch-Palestijnse conflict te laveren – en hoe hard het nodig is.