Slapeloze oudere heeft weinig aan pil

Voor ouderen met chronische slapeloosheid helpt gedragstherapie op de lange termijn beter dan een slaappil, zo blijkt uit Noors onderzoek dat gisteren verscheen. Maar pillen noch praten gaf een langere slaap.

Dat gedragstherapie toch beter uit de test kwam, in het Journal of the American Medical Association, was vooral te danken aan het feit dat ouderen met gedragstherapie een uur minder lang wakker in bed lagen. Ook waren ze 20 minuten langer in diepe slaap, het slaaptype dat de hersenschors het meest lijkt te herstellen bij vermoeidheid. Met een pil (zopiclon, in Noorwegen veel gebruikt) duurde die diepe slaap juist korter. De uitkomst weerspreekt een review uit 2003 waaruit bleek dat gedragstherapie werkt voor jongere slapelozen, maar minder voor ouderen.

Uit cijfers van het College van Zorgverzekeringen blijkt dat vorig jaar tussen een half en één miljoen Nederlanders een recept voor een slaapmiddel kregen. Artsenorganisaties waarschuwen voor verslaving en wijzen erop dat de pillen bij langdurig voorschrijven hun werkzaamheid verliezen. Het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG) heeft als richtlijn dat slaappillen „slechts incidenteel” nodig zijn. De Noorse aanpak bestond uit zaken die ook het NHG prefereert: advies over alcoholgebruik en inrichting van de slaapkamer, regelmaat, niet wakend op bed blijven liggen en ontspannen. Ook werd geprobeerd om met therapie de angst van de slapeloze mensen voor slaaptekort te verminderen.

Slapeloze 55-plussers kregen zes therapiesessies of zes weken zopiclon. Na een half jaar was alleen van de eerste groep de ‘slaapefficiëntie’ toegenomen: ze sliepen nog steeds zes uur pernacht, maar lagen minder wakker.