We overleven omdat we egoïsten zijn

Fritz Behrendt (1925), politiek tekenaar, publiceerde meer dan vijftig jaar in nationale en internationale kranten, van Het Parool tot De Telegraaf , van de Frankfurter Allgemeine tot The New York Times. Tienduizenden politieke karikaturen tekende hij, waarvoor hij een groot aantal onderscheidingen en prijzen ontving. Zo kreeg hij in 2000 voor ‘Vooruitgang’ de prijs van de Verenigde Naties voor de beste politieke tekening. In de jury zaten Kofi Annan, Michael Gorbatsjov, Norman Mailer, Eli Wiesel en Peter Ustinov.Twee maanden geleden ontving hij de laatste in rij: een onderscheiding van de Oostenrijkse orde van wetenschap en kunst. Een dezer dagen verschijnt de geactualiseerde uitgave van de cd-rom ‘Behrendt bij de les’ met 2.250 tekeningen, bestemd voor het geschiedenisonderwijs. „Zolang ik de adem van magere Hein niet in mijn nek voel, ga ik door.”

‘ Het was oorlog. Ik zat op het Instituut voor Kunstnijverheid, de voorloper van de Rietveldacademie. De directeur van de school zei: ‘Ga zo vaak mogelijk naar het Rijksmuseum en het Stedelijk om te zien wat er allemaal al geschilderd is. Wanneer je het gevoel hebt dat je daar niets aan toe kunt voegen, raad ik je aan van school te gaan.’ Ik dacht niet dat ik nog iets zou kunnen toevoegen aan die eindeloze reeks vergezichten, bloemstukken, landschappen of naakte vrouwen. Ik wilde boeken illustreren. Tot die dag in het voorjaar van 1944. Ik zat op het dakterras van de school te lunchen, hoorde het luchtalarm en zag vliegtuigen komen. Van de ene kant drie Lockheeds van de Engelse kustwacht – die niets te zoeken hadden boven Amsterdam – van de andere kant vier veel snellere Messerschmidts. De laatste openden het vuur op de Lockheeds. Een van de vliegtuigen explodeerde, de twee anderen werden geraakt en cirkelden naar beneden. De bemanningsleden probeerden zich met een parachute te redden maar de Duitsers waren meedogenloos en schoten gericht. Drie parachutes vlogen in brand. Geen van de vijf vliegers heeft het gered. Een laffe rotstreek. Van een vriendje had ik een kartonnen Spitfighter en Messerschmidt gekregen. Ik kwam thuis, pakte de Messerschmidt, verfrommelde hem en gooide hem in de vuilnisbak. Woedend was ik. En ik wist, als ik de oorlog overleef, wil ik tekenen tegen onrecht en onmenselijkheid.

Ik ben opgegroeid in Berlijn. Tijdens een parade van de nieuwe machthebbers in 1936 stonden wij schoolkinderen langs de kant en kon ik kort Hitler observeren. Die samengeperste lippen, die boze blik, die rare snor. Het werd mijn eerste spotprent.

Wij waren de enigen in de straat bij wie tijdens de verkiezingen niet de nationaal-socialistische vlag, maar de zwart-rood-gouden vlag van de Weimar-republiek uithing. In 1936 kwam de Gestapo aan de deur. Ze wilden mijn vader arresteren omdat hij geld inzamelde voor vrouwen en kinderen van slachtoffers van het fascisme. Maar ze vingen bot. Mijn vader zat op dat moment in Londen. Mijn moeder waarschuwde hem in Engeland te blijven, maar omdat hij geen verblijfsvergunning kreeg, is hij naar Nederland gegaan. Daar hebben wij ons in 1937 bij hem gevoegd.

Mijn vader vond dat mijn broer en ik een vak moesten leren. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij gezien hoe jongens met een middelbaar schooldiploma naar het front werden gestuurd, terwijl ambachtslieden – bakkers, smeden, timmerlieden – achterbleven in de dorpen omdat ze node konden worden gemist. Mijn broer werd meubelmaker en ik ging naar de banketbakkersvakschool. Ik haalde in 1941 mijn diploma, cum laude dankzij een geslaagde mokkataart. Het lukte me daarna niet om werk te vinden, maar ik had wél een vak geleerd. Exact en precies. Door die precisie heb ik nooit moeite gehad met de deadline. 250 gram boter is 250 gram boter. Acht uur is acht uur.

Op een dag in 1941 kreeg mijn vader een brief waarin stond dat hij zich moest melden bij de SS. Blijkbaar waren oude Duitse dossiers boven water gekomen. Mijn broer en ik gingen met hem mee. Met zijn drietjes op de fiets. Mijn vader naar binnen. Wij bleven achter op straat. Na tien minuten ging het raam van de tweede verdieping open. Een man stak zijn hoofd naar buiten: ‘Jongens, kom eens naar boven’. Zat mijn vader in de hoek, lijkbleek. Zegt die SS’er: ‘We brengen hem naar de gevangenis aan de Weteringschans en jullie moeten zijn fiets meenemen. Hij gaat niet met jullie mee terug.’ We kregen wel toestemming om hem te bezoeken, wat ongebruikelijk was bij politieke gevangenen. Maar ze knepen een oogje dicht omdat ze respect hadden voor zijn oorlogsverleden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden mijn vader en zijn tweelingbroer drie jaar aan het front gevochten. Zijn broer werd door een granaat getroffen. Zijn hele lijf was opengereten, de darmen lagen eruit. Mijn vader heeft nog een dag en een nacht onder spervuur naast hem gelegen in de loopgraven. Zelf liep hij door een gasvergiftiging een chronisch suikertekort op. Ik mocht hem in de gevangenis als een tweede extra gunst ook medicijnen, jam en brood brengen. Na een jaar is hij vrijgelaten. Mede dankzij mijn moeder. Zij is naar Den Haag getogen en heeft bij het justitiële apparaat van de Rijkscommissaris de zaak van mijn vader bepleit. Iedereen raadde het haar af omdat het te gevaarlijk zou zijn, maar ze wist van geen wijken.

De laatste weken voor de bevrijding werden mijn broer en ik opgepakt wegens ‘het ondermijnen van het Duitse leger’ en in een dodencel aan de Weteringschans gezet. We verspreidden illegale bladen en hadden contact met een Duitse communist. Het was een spannende tijd. Voor iedere SS’er die door de illegaliteit omkwam, werd een aantal verzetsstrijders geliquideerd. Ik vreesde de dag dat mijn broer en ik aan de beurt zouden komen, maar voor het zover was, stortte het Hitler-regime in elkaar.

Na de bevrijding heb ik me aangesloten bij het Algemeen Nederlands Jeugd Verbond. Een progressieve club. Ik was de dodencel ontkomen en wilde een bijdrage leveren aan een andere samenleving. In 1947 ben ik met een groep van het ANJV op uitnodiging van Tito naar Joegoslavië gegaan om mee te helpen aan de wederopbouw van het land. We werkten aan spoorlijnen en wegen. Pas later heb ik gehoord dat er vlak na de oorlog tienduizenden mensen zijn vermoord op gezag van Tito. Als jongen van begin twintig had ik daar geen benul van.

Ik kreeg een zomerbeurs voor de kunstacademie van Zagreb en tekende in mijn vrije tijd voor het satirische weekblad Kerempuh. Dat trok de aandacht van de leiding van de ‘Freie Deutsche Jugend’. Die jeugdbeweging zat te springen om vers bloed en ik kon in het naoorlogse Duitsland als Berlijnse jongen toch een mooie bijdrage leveren aan de wederopbouw van mijn vaderland. Op uitnodiging van Erich Honecker ben ik naar de DDR in oprichting gegaan. Ik tekende voor het tijdschrift van de jeugdbeweging en ontwierp vlaggen, decoraties en een eerste versie van het staatswapen. Ik heb de constitutionering van de DDR meegemaakt, de feestelijke opening met Honecker, ik geloofde in de droom van een nieuw Duitsland. Maar langzaam begon er iets te wringen. Ik merkte dat de DDR aan de leiband van de Sovjet-Unie liep. Dat Honecker de boodschappenjongen van Stalin was. En omdat Tito rebelleerde tegen Stalin en ik het recht op een onafhankelijk Joegoslavië had verdedigd, werd ik als een Titoïst beschouwd en opgepakt. Op instigatie van diezelfde Erich Honecker.

Ik werd gevangengezet in een cel van tweeënhalf bij vier meter. En – omdat ik een politieke gevangene was – geïsoleerd. De cellen links en rechts van mij waren leeg om te voorkomen dat ik via kloptekens contact zou maken met medegevangenen. Zes maanden zat ik in eenzame opsluiting. Zonder kranten, boeken, tijdschriften, papier, tekengerei, zonder rechtshulp, zonder enig contact met buiten. Mijn familie wist niet dat ik was gearresteerd. Het waren lange dagen van wachten en verhoord worden. Ik moest iets verzinnen om niet gek te worden. Ik had een paar autorijlessen gehad en ben in mijn cel gaan ‘luchtrijden’. Oefenen met schakelen, gas geven, remmen. Zo maakte ik denkbeeldige uitstapjes naar de Ardennen. En ik zong. Ik kende alle Joegoslavische partizanenliederen uit mijn hoofd en brulde die luidkeels waarop andere gevangenen riepen: die Rus moet zijn bek houden. Maar na een maand of drie dacht ik: ik red het niet. Het lange wachten, de verhoren, dag en nacht het licht aan. Ik stap eruit. Maar hoe? Springen had geen zin want er waren netten gespannen tussen de verschillende etages. Ophangen kon niet want ik had geen riem, geen veters, geen das. Ik ben in hongerstaking gegaan. Een keer achttien dagen, een keer twaalf. Maar toen de arts dreigde met kunstmatige voeding ben ik opgehouden. En ik dacht: als ik dit overleef, krijgt de DDR van mij met de pen de wind van voren. Ik heb van binnenuit gezien hoe dit systeem de handtekening van Stalin draagt. Het is meedogenloos, gruwelijk, onmenselijk.

Ik ben na een half jaar ontslagen uit de gevangenis omdat ze het bewijs tegen mij niet rond kregen. De dag na mijn vrijlating maakte ik een tekening waarop een bewaker naast een gevangene staat die hij tegen de grond heeft geslagen. Het onderschrift is een zin van Maxim Gorki: ‘Het woord mens heeft een trotse klank.’

Na mijn avontuur in de DDR ben ik in 1950 teruggegaan naar Nederland. Ik was negenentwintig, had vijftien jaar meisjes, vrouwen, dames gekend en vond dat het met dat piratensyndroom, dat ‘enteren van schepen’, maar eens afgelopen moest zijn. Ik ontmoette Renate – ogen als kerststerren – bij een bevriende familie in Berlijn en wist de seconde dat ik haar zag: met jou ga ik trouwen. Een paar jaar later waren we getrouwd.

Omdat we geen kinderen konden krijgen, hebben we een jongetje geadopteerd uit de Epirus in Griekenland. We waren bang dat als we een Nederlands kind zouden adopteren de moeder op een dag voor de deur zou staan en in een wolk van alcoholdamp en sigarettenrook zou zeggen: ik heb me bedacht. Maar we voelden ook een grote affiniteit met Griekenland en een vriendin van ons had een Grieks geadopteerd zoontje. Stefan was vijf weken oud toen hij bij ons kwam. Hij is nu veertig en een Noord-Griek in hart en nieren. We vroegen regelmatig of hij zijn moeder, van wie we de gegevens hadden, wilde zien. Hij had er geen behoefte aan. Tot vorig jaar. Zijn vrouw wilde graag ‘de derde oma’ van hun dochtertje leren kennen. Het werd een emotionele ontmoeting voor alle betrokkenen, behalve voor mijn zoon. Hij had niets gevoeld, zei hij. Echt een man van de Epirus. Die hebben gevochten tegen de Perzen, de Romeinen, de Italianen, de Duitsers en ze allemaal eruit gedonderd. Hij is dapper, hard, kritisch, rechtlijnig. Vijftien jaar geleden openbaarde zich bij hem MS. Het begon met een verslechtering van zijn gezichtsvermogen, gevolgd door gedeeltelijke verlammingen. Hij was 25 toen de diagnose gesteld werd, zit nu al jaren in een rolstoel, kan met een druk van zijn handpalm de telefoon, de radio, de televisie, de deur besturen. En dat voor een jongen die op dertienjarige leeftijd door de scouts van Ajax werd gepolst of hij interesse had om deel te nemen aan het jeugdelftal. Maar als ik over vroeger begin, zegt hij: hou op. Gisteren is dood. We leven vandaag.

Ik ben niet gelovig, maar als jongen heb ik de Bergrede van Jezus en Het Kapitaal van Marx gelezen en beide hebben me bepaald. De essentie van de Bergrede ‘gij zult niet streven naar macht en geld’ is marxisme pur sang. Wat mij aanspreekt in het marxisme is het idee van solidariteit. Het visioen om een einde te maken aan een systeem van ongelijkheid en uitbuiting. Het streven naar meer rechtvaardigheid, meer menselijkheid. Maar het is nergens gerealiseerd en zal waarschijnlijk nergens gerealiseerd worden. Vroeger zeiden we: de mens is er niet rijp voor. Nu zeg ik: de mens is er niet toe in staat. We overleven omdat we egoïsten zijn. En dat zullen we blijven.

Meer nog dan in Honecker heb ik me vergist in Ceaucescu. Ik had aanvankelijk het idee dat hij zich los probeerde te maken van de Sovjet-Unie om een eigen onafhankelijke politiek te realiseren, maar hij bleek een afschuwelijke stalinist. Als ik nu die vriendelijke, leuke tekeningen zie die ik van Ceaucescu gemaakt heb..... Gelukkig heeft het niets uitgemaakt. Soms maakt een tekening – ook gelukkig – wel iets uit. Zoals mijn spotprent over Bosnië: Amerikaanse hulp daalt neer op een land dat veranderd is in één groot kerkhof. Ik hoorde van een vriend dat Clinton tijdens een lunch met journalisten die tekening uit The Herald Tribune ter sprake had gebracht. Op het moment dat hij de spotprent zag, realiseerde hij zich dat Amerika te laat was. De volgende dag, Bosnië stond al op de agenda, besloot de regering een vuist te maken tegenover Milosevic. Dat voelde goed.

Na Stalins dood maakte ik een tekening waarbij de dictator in het hiernamaals oog in oog komt te staan met door hem vermoorde politburokameraden. Ik ging er mee naar Het Parool waar ik niemand kende. Een redacteur keek ernaar, liep er mee naar de hoofdredacteur en die zei: pagina 1. Dat was mijn doorbraak. Omdat Het Parool al een vaste tekenaar had, ben ik in december 1953 met een map onder de arm naar het Algemeen Handelsblad gestapt. De redacteur buitenland nam niet de moeite om me te woord te staan. Zei tegen de portier: afpoeieren. Maar Henk Hofland bladerde de map door, zag een tekening die hij in een Berlijnse krant was tegengekomen en liep naar de hoofdredacteur. De zaterdag daarop stond mijn eerste prent in het Handelsblad. Het was het begin van een veertien jaar durende, prettige samenwerking. Ik ben vertrokken omdat het Handelsblad fuseerde met de NRC. Simon Carmiggelt zei: dit is de ontvoering van een Amsterdamse joffer door Rotterdamse scheepsmagnaten. Daar was ik het hartgrondig mee eens. Daarna heb ik jaren voor Het Parool getekend. Ik was ook verbonden aan het aan die krant gelieerde Amsterdams Journalisten Cabaret. Simon Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt schreven de teksten en Hedy d’Ancona was de vedette. We hebben nog een avond samen met Wim Kan opgetreden. Later schreef hij me: we hebben een verwant beroep. We uiten kritiek op de wereld om ons heen met één verschil. Als het kabinet valt, maakt u in tien minuten een tekening, maar ik moet mijn hele programma herzien.

Toen Sytze van der Zee in 1988 als kersverse hoofdredacteur van Het Parool mijn eerste tekening weigerde over de Israëlisch-Palestijnse zaak waarin ik het opnam voor de joden, ben ik naar De Telegraaf gegaan. Ik ben een onafhankelijk commentator en accepteer geen censuur. Dat bepaalt ook mijn standpunt in de cartoonkwestie. Time Magazine wierp de vraag op of we de taboes in de moslimwereld tot onze taboes moeten maken. Nee. Wij zijn een democratie, kennen persvrijheid en dat is een groot goed. Wel kun je jezélf grenzen stellen. Drie dingen zijn nooit uit mijn pen gevloeid: pornografie, heiligschennis en volkerenhaat. En ook over het koningshuis maak ik geen grappen. Dat heeft tijdens de oorlog genoeg voor de kiezen gekregen van Volk en Vaderland. Wilhelmina heeft trouwens haar abonnement op het Algemeen Handelsblad opgezegd omdat ik op Witte Donderdag een tekening had gemaakt waarop ik Chroesjtsjov als een engel had getekend. Zij vond het ongepast om een levend mens met vleugels af te beelden en al helemaal op Witte Donderdag. Vier weken later heeft een hofdame op haar eigen naam weer een abonnement genomen.

Naar aanleiding van de dood van Frits Müller schreef de NRC dat de verontwaardiging die onze generatie politieke tekenaars kenmerkt bij een nieuwe generatie lijkt te ontbreken. Maar vergeet niet dat Opland, Peter van Straaten, Frits Müller en ik de oorlog hebben meegemaakt. Dat heeft onze blik bepaald. Müller richtte zijn verontwaardiging vooral op de omgang van de mens met milieu en natuur, ik de mijne op onderdrukkende politieke systemen. In ideologisch opzicht liepen onze ideeën in de jaren zestig en zeventig behoorlijk uiteen. Hij had sympathie voor revolutionaire volksbewegingen als de Cubaanse, terwijl ik die beschouwde als dictaturen onder de dekmantel van marxisme. Maar we vonden elkaar in onze steun aan Amnesty. In zijn boek Oud Nieuws, dat ik in 1982 van hem kreeg, schreef hij voorin: ‘Voor Frits, met wie ik meer gemeen heb dan alleen de voornaam.’ Müller was van ons vieren het meest artistiek, vernieuwend en experimenteel. Een groot kunstenaar.

Van die tienduizenden politieke prenten die ik in de loop van mijn leven gemaakt heb, springen er voor mij een paar uit. Zo ligt één tekening me na aan het hart. Ik heb daarin het credo van ons bestaan willen vastleggen. Kain en Abel slaan elkaar dood, terwijl op de achtergrond een raket de lucht in wordt geschoten. Het illustreert het contrast tussen de armoedige manier waarop wij al eeuwen met elkaar omgaan en de enorme technologische vooruitgang. Nee, Maxim Gorki, zo trots is de klank van het woord mens niet.

    • Colet van der Ven