Hollands Dagboek: Bas Kwakman

Bas Kwakman (42) is directeur van Poetry International dat deze week in Rotterdam plaatsvond. Kwakman is getrouwd met Hella Koffeman, zangeres, en heeft twee dochters, Nina (9) en

Roos (6). „Ik word wakker met een zuur stuk in de ochtendkrant. De kinderen zijn al naar school. Na de regievergadering sussen medewerkers mijn chagrijn.”

Bas Kwakman: „Met het gebrek aan slaap groeit de gevoeligheid voor de verhalen van onze gasten.” Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel Bas KWAKMAN,directeur Poetry International in de Rotterdamse Schouwburg. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 21 juni 2006
Bas Kwakman: „Met het gebrek aan slaap groeit de gevoeligheid voor de verhalen van onze gasten.” Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel Bas KWAKMAN,directeur Poetry International in de Rotterdamse Schouwburg. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 21 juni 2006 Mentzel, Vincent
Bas Kwakman

Vrijdag 16 juni

De dag voorafgaand aan het festival is een vreemde dag. Voldaan, nu alle voorbereidingen zijn afgerond en vol spanning van wat er komen gaat. Ik breng Roosje van zes op de fiets naar school en ze wijst trots naar de posters van Poetry International die op borden langs de weg staan. Ik mag niet mee de klas in. Aanstaande zondag is het vaderdag en haar knutselwerkje ligt nog open en bloot op haar tafeltje.

Hella brengt mij, mijn pakken, mijn schoenen en mijn draaiboeken naar de Rotterdamse Schouwburg.

In de Schouwburg plakt het team kunstenaars honderden letters op vier wanden in de foyer. Het is een kunstwerk van de Amerikaan Joseph Kosuth en onderdeel van een manifestatie van beeldende kunst op de grens van taal en beeld. De letters van Kosuth worden bedekt met een dikke laag zwarte verf en als die laag droog is, trekken ze de letters er weer af. De verf droogt echter niet en bij het lostrekken gaat de zwarte verf mee. De assistent van Kosuth, die is overgekomen uit Parijs, overlegt koortsachtig met zijn baas, die op het moment in Italië zit.

Tijdens het diner met de eerste gasten wordt op een groot scherm de voetbalwedstrijd Mexico-Angola vertoond. Eten en kijken naar voetbal met een Nigeriaan, een Oegandees, een Litouwer, een Iraanse en een Chinees verbroedert. Het wordt lastiger bij de reclames. Hoe leg je een Chinees die voor het eerst van zijn leven zijn land heeft verlaten uit waarom een bejaarde vrouw de ondervragingsscène van Sharon Stone uit Basic Instinct naspeelt?

Femi Fatoba uit Nigeria grijpt de ober bij zijn oranje voetbalshirt. „Before I leave this beautiful country”, zegt hij, „I must have one of these.” De ober geeft hem een oranjesjaal die Fatoba de hele avond niet meer afdoet. Zondag is hij jarig, en ik bel iemand van de staf om een oranje T-shirt voor hem te kopen.

Thomas Venclova uit Litouwen heeft na vijf minuten zijn bord leeg.

„Er is er maar één die sneller at dan ik”, zegt hij, „en dat was Joseph Brodsky. En hij rookte als een ketter. ‘Hou er toch mee op’, zei ik eens, waarop Brodsky antwoordde (korte pauze, andere stem): ‘De aap pakte een steen op en werd mens. De mens pakte een sigaret op en werd dichter.’ ‘Dante rookte niet’, zei ik. ‘Goed argument’, zei Brodsky, ‘maar stoppen doe ik niet’.”

Ik loop om middernacht uur nog even de Schouwburg in. De zwarte verf op de plakletters is goed gedroogd en de letters gaan er beter af. Kosuth geeft vanuit Italië telefonisch zijn zegen en de rest van de nacht kan het team opgelucht de letters van de wanden pulken.

Zaterdag

Roosje moet om negen uur naar zwemles. Hella gaat met haar mee, zodat ik nog even kan blijven liggen. Nina zit al tv te kijken en als ik om half tien op de fiets stap, mag ze een uurtje alleen thuisblijven, tot Hella en Roos er weer zijn. Dit vindt ze heel stoer.

De regie heeft een plan. Ik moet van rechts via een tunnel van licht over het hele podium naar het spreekgestoelte lopen om daar mijn openingsspeech te houden. Door de kabels en de monitors op het podium doemen visioenen op van een struikelpartij waar nog jaren over wordt gesproken.

De dichters lezen prachtig voor. Ik weet dat we de afgelopen maanden goede dichters hebben gevonden, maar het blijft spannend of het overkomt op het podium. Met name Gabeba Baderoon uit Zuid-Afrika, Han Dong uit China, Ana Paula Tavares uit Angola en Jelena Schwarz uit Rusland verrassen me. Het wordt een prachtweek.

Charles Mungoshi uit Zimbabwe is zijn bagage kwijt. We stellen voor om met hem mee de stad in te gaan om kleren en toiletartikelen te kopen. Twee medewerkers vragen hem, afzonderlijk van elkaar, of ze een tandenborstel moeten halen. Mungoshi lacht en wijst op zijn ene tand.

Zondag

Het is vaderdag. Nina en Roos komen de kamer binnen en zingen het Wilhelmus. „Wilhelmus va-ha-han der Sar.” Ook bij hen heeft de oranjekoorts toegeslagen. Ik krijg van Roos een brievenhouder van geschilderde wasknijpers. Nina zingt nog een mooi zelfgemaakt lied.

Het optreden van een van de dichters is een week voor aanvang van het festival verschoven in het programma. Zij is per mail op de hoogte gesteld, maar deze heeft ze niet ontvangen. Ze spreekt alleen haar eigen taal en haar tolk is even niet voorhanden. Ze is zeer geëmotioneerd, voelt zich opzij geschoven en is door het taalprobleem volkomen geïsoleerd. Handen en voeten helpen als je op vakantie een biertje wil bestellen, maar niet als je iemand te woord moet staan die zich diep gekrenkt voelt. Ik leer de woorden eer, weggeschoven en vernedering in een mij volkomen vreemde taal. Met medewerkers en festivalgasten, die elk een handjevol woorden bijdragen, maken we duidelijk dat er op dit festival geen grote en kleine dichters zijn, alleen hele goede. Het eindigt met een kus.

De bagage van Charles Mungoshi is teruggevonden.

Maandag

Ik word wakker met een zuur stuk in de ochtendkrant. De kinderen zijn al naar school. Na de regievergadering sussen medewerkers mijn chagrijn. „Het is gewoon een slordig stuk.”

’s Avonds is er een programma over orale poëzie. Op het moment dat de IJslandse dichter Sigurbjörg Thrastardóttir haar voordracht illustreert met een geluidsfragment van een zingende vriend, ruiken de mensen boven in de zaal een brandgeur. We besluiten het programma te stoppen en even later houdt de regisseuse een gesmolten kleurfilter als een trofee omhoog. Het geluidsfragment wordt weer ingezet en Thrastardóttir herneemt haar lezing met „I know my friend is a powerful guy, but I didn’t know he was this powerful”.

Ama Ata Aidoo uit Ghana is een prachtdiva. De hele dag door oogst ze geraffineerd complimenten, die ze vervolgens wegwuift met een enkel handgebaar. „Oooooh, flattery, flattery.” Ze leest haar heldere, indrukwekkende gedichten vanuit een stoel die vanzelf een troon wordt. Kijk! Afrika heeft de interessantste beroeringen altijd voor zichzelf gehouden.

Dinsdag

Mooie avond. Na afloop van het programma vang ik een gesprek op tussen twee bezoekers. Het zijn goede vrienden die al jaren varen op eenzelfde smaak. „Ik vond A erg goed”, zegt de een.

„A?”, roept de ander verbaasd. „A? Die vond ik vreselijk! Hoe kan jij A nou goed vinden? B! B, die was pas goed. Wat een overrompelende kracht, die vrouw.”

„B?”, roept de ander in ontsteltenis. „B? Vond jij B goed?”

Het valt stil. Stomverbaasd staren ze elkaar aan. Ze verlaten het pand in grote onvrede met elkaar.

In een gedicht van Sigurbjörg Thrasdadóttir staat een woord, dat in de context van het gedicht een erotische lading heeft. Het gedicht is in tien landen vertaald. Negen van de tien vertalers hebben de erotische betekenis begrepen, behalve de Engelse. Die dacht dat het over make-up ging.

Woensdag

Er komen veel vragen van buitenaf dat het jammer is dat er zo weinig echte Afrikaanse talen zijn te horen op het festival. We praten erover tijdens het eten. Ama Ata Aidoo zegt: „We werden in Afrika als kind gedwongen om Engels, Frans of Portugees te spreken. Wie Yoruba of Shona sprak, was dom. We hebben ons vervolgens de taal eigen gemaakt, naar ons toegetrokken en gebruikt om met de wereld te communiceren. En nu willen jullie weer, als een soort culturele frivoliteit, onze oude talen horen.”

Zeven miljoen mensen kijken naar Nederland-Argentinië, maar de zaal tijdens de uitreiking van de C. Buddingh’-prijs is mooi gevuld. De bekendmaking van de onverwachte winnaar wekt een beroering die nog tot ver na het festival zal doorklinken.

Donderdag

Als Nobelprijswinnaar Seamus Heaney arriveert, ontstaat er onrust bij de medewerkers, de dichters en bij mij. Journalisten die niet op de streng geordende (en streng gereduceerde) lijst staan, schuifelen als hyena’s heen en weer voor de ingang van het hotel en de medewerker communicatie heeft tropenuren.

Ik ontvang de Ierse dichter Seamus Heaney in de lobby. We praten over Dun Laoghairy in Ierland, waar we elkaar voor het laatst zagen. Hij vertelt over Bert Schierbeek en vraagt naar Remco Campert en mijnheer Felix van Hotel Central. Uit zijn binnenzak haalt hij een flacon whisky en elke keer als ik een slok van mijn koffie neem, gooit hij een scheut in mijn kopje.

Vrijdagochtend 23 juni

Laatste dag. Ik heb de afgelopen drie dagen vrouw, kinderen noch daglicht gezien. Met het gebrek aan slaap groeit de gevoeligheid voor de verhalen van onze gasten. Jack Mapanje uit Malawi en Charles Mungoshi uit Zimbabwe spreken over hun jaren in de gevangenis zoals wij over een treinvertraging praten. Tijdens dit gesprek draagt Mungoshi een festival-T-shirt met daarop de tekst: Er is niets om over naar huis te schrijven.

Bij het maken van een groepsfoto vraagt de fotograaf of we even tegen de muur willen gaan staan. Mario Suško uit Kroatië mompelt: „I was up against the wall once, and I sure hope that was the last time.”

Eén keer per jaar komen 40 dichters en 3.000 poëzieliefhebbers uit de hele wereld naar Rotterdam om poëzie te delen. Het is de mooiste week van het jaar.