Te mooi om waar te zijn

In een serie over heruitgegeven klassieken deze week ‘Sido’ en ‘Het huis van mijn moeder’ van Colette

(Uit het Frans vertaald door Kiki Coumans. Atlas, 253 blz. €12,50)

Uitgeverij Atlas heeft een uitstekend seizoen uitgekozen om in één boek twee nieuwe vertalingen van de Franse schrijfster Colette (1873-1954) uit te brengen. Sido en Het huis van mijn moeder moet je lezen in het voorjaar, in de tuin, met de poes op schoot, als de sering roze kleurt, de lelietjes van dalen bloeien en de blauwe regen haar zoete geur verspreidt. Dan wil je wel lezen over ‘het fijnbesnaarde leven in onze tuinen’, over ‘de beleefdheid en beminnelijkheid tussen moestuin en bloemperk, tussen struikgewas en hoenderhof’, over korstmos en muurpeper, de scharlaken geranium, vingerhoedskruid en de ‘promenade voor katers en poezen’.

Het lijkt paradijselijk geweest te zijn, toen Colette nog een meisje was, in en rond haar geboortehuis in St. Sauveur-en-Puisaye, ‘waar een man en een vrouw al dertig jaar leefden zonder ooit hun stem te verheffen’ en waar Colette ‘Schoonheidje, Gouden juweeltje’ werd genoemd door een moeder met groene vingers. Het was de tijd waarin de komst van een strenge winter werd afgelezen aan het aantal rokken van de ui, waarin ‘rustieke barometers’ werden gemaakt van de voelsprieten van haverkorrels op karton. Een wereld waarin haar vader, de éénbenige ‘kapitein’, romantische liedjes zong om uiting te geven aan de eeuwige liefde voor zijn vrouw en waarin Colette’s moeder kersen plukte, boeketjes schikte, terwijl haar broers vanaf het dak meisjes bespiedden en buitensporig veel lazen.

Het zijn idyllische tafereeltjes – te idyllisch om waar te zijn. Colette heeft haar herinneringen zorgvuldig geselecteerd, gekleurd, bijgesteld en verwoord voor het nageslacht. Zo wás het, eenvoudig omdat Colette wilde dat het zo was. Toen ze haar memoires schreef was de schrijfster ouder geworden, rijper. La Maison de Claudine (nu vertaald als Het huis van mijn moeder), het eerste deel van een trilogie over de moeder, verscheen in 1922, het tweede La naissance du jour in 1928 en Sido twee jaar later, in 1930.

In Sido beschrijft Colette hoe ze vanuit haar bed in haar appartement in het Palais Royal in Parijs uit het raam kijkt en zich, in de voetsporen van haar moeder, afvraagt hoe de wind staat, ze bestudeert de richting van de wolken en luistert ‘naar het geronk van de zee in de schoorsteen’. Ze is op weg naar ‘de apotheose van respectabiliteit’ waarin ze, in de woorden van Jean Cocteau, haar leven zou eindigen. Ze leeft, bedaard, die laatste decennia aan de zijde van haar derde echtgenoot Maurice Goudeket, is voorzitter van de jury van de Prix Goncourt, en neemt minzaam alle eerbewijzen in ontvangst die haar toevallen. Haar wilde haren behoren tot het verleden, de tijd waarin ze haar brood als journaliste, als mime- en toneelspeelster verdiende en waarin ze als minnares en lesbienne alle taboes doorbrak, ligt jaren achter haar.

Het is dan ook een milde blik die ze over haar ouderlijk huis laat gaan. Ontroerend zijn de pagina’s over haar kreupele vader, een dichter en een stadsmens, en de ontdekking dat hij tientallen prachtige, zelf ingebonden werken naliet, die honderden lege pagina’s bevatten, ‘de illusie van een schrijverscarrière’.

Haar moeder verheft ze tot een ware Demeter, een natuurgodin verknocht aan het platteland, spottend met de in het dorp paraderende Parijse vrouwen. Ze ‘bezingt’ haar moeder, ‘naar beste kunnen’, en ze beseft dat ze Sido’s observatievermogen heeft, Sido’s kritische blik en Sido’s vrije geest. Geen woord over het feit dat ze een uiterst bezitterige moeder was, die haar kinderen soms het vrije ademen belette, of het moet tussen de regels door zijn. Geen woord over Colette’s jaloezie op haar oudste broer, die haar moeders lieveling was, zodanig dat Sido het huis verkocht om hem te volgen na zijn huwelijk. Geen woord over haar tirannieke kant die haar man en kinderen eenvoudig dienden te ondergaan. En geen letter over het lot van haar broers en zus: autisme, een vroege dood en zelfmoord.

Nee, Colette schrijft over haar herinnering aan haar moeders blik bij het kijken naar een ‘zwarte merel, met een groenpaarse schijn op zijn verendek’ die in de kersen pikt. ‘Ik denk dat mijn moeder zo straalde vanwege de drang aan alles en iedereen te ontsnappen, om een sprong omhoog te maken, naar een plek waar alleen haar wetten golden. En mocht ik me vergissen, laat me dan in die waan’.

Tegelijkertijd met ‘Sido/Het huis van mijn moeder’ werd door Atlas ‘Chéri’ (1920) van Colette herdrukt, in de vertaling van Greetje van den Bergh.
    • Margot Dijkgraaf