‘Somalische chaos is nog niet voorbij’

De strijdende partijen in Somalië zijn elkaar een stapje genaderd. Onder toezicht van de Arabische Liga hebben ze gisteren besloten elkaars bestaan officieel te erkennen.

Ze omhelsden elkaar broederlijk. Abdallah Sheikh Ismail, de minister van Buitenlandse Zaken van de Somalische overgangsregering, en Mohamed Ali Ibrahim, het hoofd van de delegatie van de islamitische rechtbanken, tekenden gisteren in het Soedanese Khartoum een staakt-het-vuren. Het begin van een dialoog die een opmaat kan zijn tot vrede in het door burgeroorlog geteisterde land.

„Maar de chaos is nog niet voorbij”, waarschuwt Jon Abbink, wetenschappelijk medewerker aan het Afrika Studie Centrum in Leiden. „Er moet een effectieve coalitie worden gevormd, om regionalisering van het conflict te voorkomen.”

De onstuitbare opmars van de islamitische milities in Somalië, de afgelopen maand, heeft de situatie in het land in de Hoorn van Afrika onmiskenbaar veranderd. Op het eerste gezicht lijkt het een verandering ten goede.

„De mensen in Somalië vertellen me dat ze terugkeren naar hun gewone leven”, zegt Abdi Samatar, Somalische Amerikaan en hoogleraar aan de universiteit van Minnesota (VS). Hij is optimistisch over de machtsovername door de coalitie van islamitische rechtbanken (ICU). „De coalitie heeft alle milities uit Mogadishu verdreven. Fenomenaal.”

De ontwikkelingen gaan heel snel, erkent Jon Abbink. Maar hij is er niet zeker van of de inwoners van zuidelijk Somalië wel allemaal content zijn. „De islamitische rechtbanken worden maar deels gesteund door bevolking. De ICU heeft harde rechtspraak ingevoerd, dwingt vrouwen de sluier te dragen, is beschuldigd van wandaden in Jowhar en Balad, en kwam ook in het nieuws door bijeenkomsten in Mogadishu af te breken waar naar het WK voetbal werd gekeken. Dat heeft hun populariteit niet vergroot. Ook op het platteland zijn mensen vaak niet geporteerd van de islamitische rechtsspraak, shari’a. Daar geldt de meer traditionele – en werkende – vorm van Somalisch gewoonterecht.”

Ook Somalië-deskundige Lidwien Kapteijns in Wellesley (VS) „wil graag positief zijn” over de islamitische rechtbanken, maar daar is weinig reden toe, vindt ze: „Ik zie dezelfde mensen. Ze presenteren het anders, maar ook de ICU is gebaseerd op subclans. Ik ben bang dat het een voortzetting is van de strijd, onder een islamitische vlag. Het verschil is, ze hebben een woordvoerder die zich kan presenteren aan de wereld.”

De coalitie, waartoe na de laatste veroveringen ten minste 16 islamitische rechtbanken behoren, heeft haar pr goed op orde. Hun voorzitter Sharif Sheikh Ahmed (42), een aardrijkskundeleraar die getraind zou zijn in Soedan, doet het goed in de media. Een „gentleman”, vindt Samatar. Ahmed zet zichzelf neer als een democraat, zonder eigen politieke ambities. Somaliërs hoeven niet bang te zijn voor het opdringen van de shari’a, zegt hij sussend. En, de drie vermeende Al-Qaeda-strijders die Somalië volgens de Verenigde Staten herbergt – die zijn er niet.

Samatar vindt dat de ICU tot nu toe veelbelovende signalen afgeeft. „Ze is bereid met de internationale gemeenschap samen te werken. Ze willen samen met lokale gemeenschappen lokale besturen vormen. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Jowhar.” Abbink ziet dat juist weer als slecht teken. „De religieuze leiders die daar zijn benoemd zijn uiterst radicaal.”

Veel hangt af van de komende tijd. Bemiddeling door neutrale buitenstaanders zou kunnen, maar „niet te voorschrijvend”, waarschuwt Abbink, „Somaliërs hebben een hekel aan buitenlandse inmenging”. Een buitenlandse vredesmacht, waar de overgangsregering om vraagt, is al helemaal geen goed idee, zegt Samatar. „Die moet wegblijven uit een land waar ze niet is gewenst.”

Het belangrijkste is voortzetting van de dialoog tussen de beide partijen. Daarbij is het de vraag of de huidige gematigde koers van de islamitische rechtbanken standhoudt. Abbink verwacht niet dat Ahmed de meer extremistische leden binnen de ICU kan inbinden: „Ze worden vervangen. Die voorzitter is vast een goede vent, maar er zitten veel hardliners tussen. Die willen geen losse variant van de islam, maar een politieke.”

Een grote oefening in politieke flexibiliteit is nu vereist, stelt Abbink vast, met respectering van de realiteiten van de Somalische clan-samenleving en de diverse opvattingen van de islam onder de bevolking. „Ze hebben een kans, maar zijn ze daar mentaal of ideologisch genoeg toe in staat?”