Toppunt van feestelijkheid: Hema-slingers

Ik ben de anti-globalist van mijn familie. Niet in de zin van dreadlocks en Coca Cola-haat, maar omdat ik mij niet verspreid heb over de hele globe, in tegenstelling tot mijn broer, zus en ouders. Er schijnt een gen in onze familie te zitten waardoor wij veel en graag emigreren, maar dat gen heeft mij overgeslagen.

Dat iedereen zo ver weg is gaan wonen (we hebben het over Rusland, Amerika en, oké, Frankrijk), heeft van mij alleen maar een ergere anti-globalist gemaakt. Telefoongesprekken met mijn verre broer en zus gaan eigenlijk altijd zo:

„Wanneer kom je weer?”

„Weet ik niet.”

„Wanneer weet je wanneer je weer komt?”

„Weet ik ook niet.”

Het mag duidelijk zijn dat ik de vragende partij ben.

Dit weekend waren we voor het eerst in anderhalf jaar herenigd. Mijn broer, zus en ouders waren allemaal op hetzelfde moment in Nederland. Aanleiding tot het leegkopen van een cateringbedrijf, grootse wijnbestellingen en zelfs, toppunt van feestelijkheid, Hema-slingers.

Als mijn familieleden een bepaalde staat van opwinding bereiken, bij een anderhalfjaarlijkse hereniging bijvoorbeeld, gaan we heel hard praten en rare dingen doen. Net bekeek ik de foto’s van ons avondje samen, en dan vraag ik mij af waarom mijn vader op een foto bokspringt over de rug van mijn stiefmoeder, of waarom ik op elke foto die er die avond genomen is, mijn linkerbeen in de lucht steek.

Pure blijdschap, waarschijnlijk, die we fysiek uiten. En door te gillen. In het begin van het feestje zeiden de aanwezige vrienden nog wel een paar keer: „Jullie hoeven niet zo hard te praten.” Maar na een tijdje gaven ze het op. „EN WANNEER BLEEF ZIJ VOOR HET EERST BIJ JOU SLAPEN?” wordt er dan aan een nieuwe, nog wat verlegen, verloofde gevraagd, op een toon waarop de buurvrouw het ook allemaal kon volgen.

Halverwege de avond was er vraag naar een speech, en werd er naar mij gekeken. Iedereen weet dat ik, met de juiste hoeveelheid witte wijn op, behoorlijk langdradig en gevoelig (lees: overemotioneel) kan doordrammen, en een speech hoort nu eenmaal lang en gênant te zijn. Dit keer besloot ik het kort te houden. Ik richtte me op de leden van mijn gezin. Eigenlijk was één zin wel genoeg. „Blijf de volgende keer niet zo lang weg.”