Schrikbeeld (2)

De vraag was: hoe revolutionair is de revolutie? Overal wordt gesproken van een grote ommekeer. Onze wereld wordt niet langer van boven bepaald, maar van onderop. Tijdgeestgoeroes roepen producenten van zowel geestelijke als materiële goederen op zich snel over te geven aan de nieuwe tijd. Het is aanpassen of sterven. Bedrijven moeten zich volledig op de vraag richten, kranten moeten schrijven wat de lezer heeft bedacht, het onderwijs moet zich richten op wat de leerling wil leren – kijk om je heen en je ziet hoe wijdverbreid het revolutionaire elan is en hoe groot de overtuiging dat de wereld nooit meer hetzelfde zal zijn.

Maar kijk nog eens goed en je ziet hoe ouderwets dat elan eigenlijk is. Iedere afgekondigde revolutie gaat er vanuit dat de macht nu voortaan van onderop zal komen, en bij iedere revolutie gaat de ideologie er vervolgens op fatale wijze met de feiten vandoor. Steeds opnieuw wordt dezelfde denkfout gemaakt: dat de mens in een veranderde wereld een andere mens zal zijn.

De verheerlijking van de consument als afgod door de denkers van de hedendaagse elite verschilt in weinig van het gedweep met de arbeider door linkse intellectuelen in de twintigste eeuw. Sterker nog: het zijn nog vaak dezelfde mensen die zich eraan schuldig maken. Zoals veel ideologisch gestaalde linkse types zich na de laatste eeuwwisseling tot een onverdraagzaam neoconservatisme hebben bekeerd, zo verheerlijken voormalige gelovigen in de gewone man tegenwoordig de individuele consument, die een hogere waarheid in zich zou dragen. Vandaar die mantra van professor Cor Molenaar: „Luisteren is de grootste uitdaging van de toekomst.’’

Niks creativiteit, niks oorspronkelijkheid – wie zijn afgod heeft gevonden, hoeft zich alleen maar aan hem te onderwerpen. Dat is zo misselijkmakend aan dat nieuwe geloof in de consument: de slaafse onderdanigheid die van de ware gelovige wordt geëist. Wie iets te verkopen heeft, hoeft alleen maar neer te zijgen in aanbidding. Ik ben een vacuüm – vul mij met uw wensen en gedachten.

De hoofdredacteur van de Volkskrant, Pieter Broertjes, stelt in zijn laatste jaarrede voor het Genootschap van Hoofdredacteuren vast dat de papieren krant voorlopig niet zal verdwijnen. Opgelucht instemmend citeert hij zijn nieuwe goeroe, mediaprofessor Irene Costera Meijer, die het lezen van een krant als volgt omschrijft: „Lekker even een moment voor jezelf, zoals Cup a Soup dat gevoel weet op te wekken.”

Heel de nieuwe ideologie – want een ideologie is het – ligt in dat stompzinnige zinnetje besloten; het nieuwe geloof in zaligmakend consumentisme, het gedweep met de ‘belevingswereld’ van de consument, inclusief de kokette verwijzing naar populaire reclamespotjes. Het gaat niet meer om het product, maar om het gevoel dat het product weet op te wekken – en nieuws moet vooral ‘lekker’ zijn, anders heeft niemand er meer trek in. Dat veel lezers van de Volkskrant de laatste jaren juist afhaken omdat de heersende toon hen net iets te ‘lekker’ is, net zo ‘lekker’ als een kop smakeloze instantsoep, wil er bij de hoofdredacteur niet in. Het ligt allemaal aan de tijdgeest. Als het over zijn eigen krant gaat, spreekt hij schaamtevol over ‘de trage krant’, alsof het over een hopeloos achterhaald fenomeen gaat. Wie daar kanttekeningen bij maakt, is, geheel volgens revolutionair gebruik, van de oude school, kortom, een dinosauriër. De jeugd weet het beter – het zijn altijd vastgelopen oude knarren die dat zeggen.

Zo gaat dat met overtuigde gelovigen: het zijn de anderen die blind zijn. Bewijzen die hun geloof dreigen aan te tasten, worden vorstelijk genegeerd. Dat de ‘trage’ krant nrc.next een succes lijkt te worden en vooral lezers bij de gratis kranten weghaalt, dat Oprah Winfrey via haar boekenclub miljoenen kijkers overhaalde om de televisie uit te zetten en Tolstoj en Faulkner te gaan lezen, dat juist jonge Volkskrant-lezers dol zijn op Jan Blokker, dat het Nieuwe Leren op de middelbare school inmiddels tot een faliekante mislukking is verklaard, het gaat allemaal in tegen het achterhaalde Cup a Soup-geloof van Costera Meijer, maar het zal dat geloof niet aantasten.

Natuurlijk is de dynamiek tussen producent en consument veranderd, natuurlijk is de invloed van de consument/burger/kiezer/krantenlezer direct voelbaar, maar dat wil niet zeggen dat de verhoudingen wezenlijk anders zijn. Dat de consument gemakkelijker voor zijn mening uit kan komen, inweblogs en opiniepeilingen, wil niet zeggen dat hij eigenhandig zijn opinies vormt. Ook weblogs zijn reagerend van aard, men beschouwt de wereld, men gaat in op wat men van anderen aangeboden heeft gekregen.

Opinies en gedachten en smaak borrelen niet vanuit een onzichtbaar binnenste op, ze worden in hoge mate bepaald van buitenaf. Juist in een in toenemende mate geëgaliseerde wereld ontstaat als vanzelf de behoefte aan het afwijkende geluid, de originele gedachte, de prikkelende stelling. Onze cultuur is een pendulecultuur – wanneer de vraag naar het een is oververzadigd, ontstaat vrijwel automatisch de vraag naar het tegenovergestelde. Teveel kabaal doet behoefte aan stilte ontstaan, te veel vermaak een behoefte aan ernst, teveel beeld een behoefte aan het woord.

Inderdaad, er is in de hele geschiedenis van de mensheid nog nooit iets verkocht dat de consument niet wilde hebben – dat is gewoon een open deur. Maar het gedweep met de ‘belevingswereld’ van de goeroes is niets anders dan het oud-linkse, verbeten egalitarisme in een nieuw jasje. Het is helemaal geen revolutie, het is mode.

Geen mens weet van nature wat hij wil. De bewering dat dat wel zo is, is een ideologische of commerciële leugen, die het heilige geloof in het autonome individu moet bevestigen. Die leugen wordt het best verbeeld door de actie van de Postbank, waarbij de klant de illusie van eigenzinnigheid gegeven wordt doordat hij zelf zijn giropasje mag ontwerpen. Die belofte van zelfbeschikking is een commercieel handigheidje, waartoe de aanbieder door nieuwe techniek in staat is gesteld. Het is niets meer dan dat.

Natuurlijk verandert onze cultuur voortdurend, natuurlijk gaat de pendule vaak wel heel erg snel heen en weer. Het vereist vindingrijkheid om daar mee om te gaan. Alleen talentlozen verschuilen zich achter de tijdgeest.